Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

De wederkomst van Christus

In verscheidene passages in het Nieuwe Testament staat beschreven dat Christus uiteindelijk zal terugkeren naar de aarde. In het onderstaande worden een aantal van die teksten behandeld. Maar eerst is het nodig naar het Oude Testament te kijken.

Oude Testament

In het Oude Testament wordt in diverse bijbelboeken gesproken en geprofeteerd over de 'dag van de Heer'De dag van de Heer (Jes. 13:9; Amos 5:18-20; Sefanja). Dit is het moment, aan het einde der tijden, dat God definitief ingrijpt in de menselijke geschiedenis. De onrechtvaardigen zullen worden gestraft en de gelovigen zullen worden bevrijd (Micha 4:6-7; Sef. 3:11-13). De dag van de Heer wordt voorafgegaan door een tijd van verdrukking in de vorm van natuurrampen, oorlog, afgoderij en wetteloosheid (Dan. 12:1-3; Joel 1:15-2:11; Sef. 1:14-18) en de komst van de messias, de ‘gezalfde van God’, die een cruciale rol speelt in Gods heilsplan.

In het Nieuwe Testament worden deze profetieën toegepast op Jezus Christus. Hij is de beloofde messias van het Oude Testament (Hand. 3:20; de naam ‘Christus’ is de Griekse vertaling van het woord ‘messias’) en de ‘dag van de Heer’ is de wederkomst van de opgestane Christus aan het einde der tijden (1 Tess. 5:2; 2 Petr. 3:10-13).

Openbaring van Johannes

In het boek Openbaring vinden we de periode van verdrukking, de komst van de messias, het oordeel over de onrechtvaardigen en de bevrijding van de gelovigen terug. Het boek spreekt in beeldende taal over deze gebeurtenissen. De wederkomst van Christus wordt bijvoorbeeld voorgesteld als het verschijnen van een ruiter op een wit paard, die de strijd aanbindt met de vijanden van God, om hen ten slotte aan zich te onderwerpen. Daarna begint het eeuwigdurende koninkrijk van God in het nieuwe Jeruzalem (19:11-22:5).

Paulus

De wederkomst van Christus komt in de brieven van Paulus zeer fragmentarisch aan de orde. Dat komt omdat Paulus niet schrijft over de eindtijd om details over de precieze gang van zaken uit de doeken te doen. Hij refereert slechts aan Christus’ wederkomst in de context van een specifiek pastoraal probleem. Zo bemoedigt hij in 1 Tess. 4:15-17 de christenen in Tessalonica, die bedroefd zijn omdat enkele medegelovigen gestorven waren, voordat de ‘dag van de Heer’ was aangebroken. Klaarblijkelijk waren zij bezorgd of zij hen weer terug zouden zien. Paulus houdt hun voor dat, als de ‘dag van de Heer’ aanbreekt, hun geliefden zullen opstaan uit de dood, om ook altijd bij Christus te zijn.

In de tweede brief aan dezelfde gemeente wordt op een ander probleem gereageerd. Sommige christenen in Tessalonica blijken zo enthousiast te zijn over het spoedige aanbreken van de ‘dag van de Heer’, dat zij hun dagelijkse bezigheden verwaarlozen. Paulus waarschuwt dat ze hun verstand niet moeten verliezen en herinnert hen eraan dat eerst een tijd van verdrukking moet aanbreken. Er zal een ‘wetteloze mens’ optreden – vergelijkbaar met het beest uit Openbaring – die God zal tegenstreven, de gelovigen zal proberen te verleiden en zichzelf zal voordoen als een god. Uiteindelijk zal Christus hem doden ‘met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst’ (2 Tess. 2:8). Deze tekenen zijn nog niet in vervulling gegaan en dus maant Paulus de Tessalonicenzen tot kalmte.

Ook in 1 Kor. 15:22-28 heeft Paulus het over de wederkomst van Christus. Zijn woorden lopen in grote lijnen parallel aan de laatste hoofdstukken van het boek Openbaring.

De evangeliën

Terwijl het evangelie van Johannes bijzonder zwijgzaam is over de wederkomst van Christus, vermelden de synoptische evangeliën een rede van Jezus over het einde der tijden. De rede staat het uitvoerigst beschreven in het evangelie volgens Matteüs. In de hoofdstukken 24 en 25 heeft Jezus het over de komst van de Mensenzoon – een verwijzing naar de messias-figuur in de profetieën van Daniël (Dan. 7:13-14).

In de synoptische evangeliën (Matt. 24-25; Marc. 13; Luc. 21:5-38) ligt de nadruk op de tijd van verdrukking die voorafgaat aan de komst van de Mensenzoon. De gelovigen zullen verschrikkingen en vervolgingen meemaken, en hun geloof zal op de proef worden gesteld door valse profeten en valse messiassen. ‘Wees waakzaam!’ is het devies. Alleen in het evangelie van Matteüs wordt verteld wat er na de overwinning van de Mensenzoon gebeurt: hij zal oordelen over alle volken. De onrechtvaardigen wacht eeuwige bestraffing en de rechtvaardigen het eeuwige leven (Matt. 25:31-46).

De uitblijvende wederkomst

In het Nieuwe Testament wordt keer op keer benadrukt dat alleen God weet wanneer de wederkomst zal plaatsvinden. Zelfs ‘de hemelse engelen en de Zoon’ weten het tijdstip niet (Matt. 24:36). ‘De dag van de Heer komt als een dief in de nacht’, schrijft Paulus (1 Tess. 5:2). Dit neemt niet weg dat de wederkomst in het vroege christendom verwacht werd binnen zeer korte tijd: Paulus gaat ervan uit dat hij de komst van de Heer nog persoonlijk zal meemaken (1 Tess. 4:15) en ook de evangeliën en het boek Openbaring benadrukken dat de eindtijd nabij is (Matt. 24:34; Marc. 13:30; Luc. 21:32; Openb. 1:1; 3:11; 22:7, 12, 20).

In de eerste eeuw van het vroege christendom werd het echter steeds duidelijker dat Christus niet zo spoedig zou wederkeren als eens werd gedacht. De tweede brief van Petrus geeft een intrigerend beeld van de situatie die daardoor ontstond. Het blijkt dat, toen de eerste generatie christenen gestorven was, er stemmen opgingen dat de Heer wel traag was met het vervullen van zijn belofte (2 Petr. 3:9). Ook werd de christelijke gemeenschap bespot door mensen die vroegen waar Christus nu bleef: ‘Hij had toch beloofd te komen?’ (3:4).

Geleidelijk werd in de christelijke theologie de overtuiging dat de wederkomst spoedig zou plaatsvinden vervangen door een meer universele en algemene toekomstverwachting. Maar de hoop bleef: uiteindelijk zou Christus terugkeren en het eeuwigdurende koninkrijk van God aanbreken.

Heeft betrekking op:

1 Tessalonicenzen 4:13-18, Romeinen 6:5, Romeinen 13:11, 2 Tessalonicenzen 2:1, Matteüs 24:1, Marcus 13:1, Lucas 21:5, 1 Korintiërs 15:22, 2 Petrus 3:1, Openbaring 19:11, 1 Timoteüs 6:14, 2 Timoteüs 4:1, Judas 1:21, Filippenzen 1:6, Titus 2:13, Jakobus 5:8