Overzicht bijbelboeken

Kunsten > Beeldende kunst

De wortel Jesse

Jan Mostaert
De boom van Jesse

Het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Matteüs bevat een lijst van de voorvaderen van Jezus, een stamboom die moet aantonen dat Jezus van David afstamt, die op zijn beurt een nakomeling van aartsvader Abraham4. De geschiedenis rond Abraham is. De vergelijkbare stamboom in het evangelie van Lucas 3:23-38 gaat zelfs nog verder en laat zien dat Jezus een rechtstreekse nazaat van de eerste mens Adam is.

Dat Jezus afstamt van de belangrijke aartsvaderen en koningen uit het Oude Testament wordt gebruikt als argument voor de legitimiteit van zijn autoriteit. Ter verduidelijking van de continuïteit tussen het Oude en het Nieuwe Testament wordt de stamboom ook visueel uitgebeeld. In de beeldende kunsten wordt deze opdracht vrij letterlijk opgevat: de voorvaderen worden voorgesteld als takken van een boom, waarin boven in de top Jezus met zijn moeder zit. Het valt echter op dat in de uitbeelding van stambomen niet bij David of Adam wordt begonnen, maar met de vader van David, Isaï, ook wel Jesse genoemd. Dit gaat terug op de profetie van Jesaja (11:1) waarin hij aankondigt dat de Messias als een tak uit de 'stronk van Isaï' zal voortkomen.

De prachtige uitbeelding van de ‘Boom van Jesse’ die waarschijnlijk in Haarlem vervaardigd is, laat zo’n boom zien. De stam ontspruit uit de heup van een slapende man die Jesse moet zijn, want op de eerste tak zit onmiskenbaar David. Met zijn harp wendt hij zich tot de staande oude man links die dus Saul moet voorstellen en die geen deel uitmaakt van de stamboom. De volgende mannen zijn minder goed te identificeren; het zijn er niet genoeg voor de hele stamboom. Maar ze zijn uitermate rijk gekleed en sommigen dragen kronen die hen als koningen herkenbaar maken. In de top van de boom zit Maria met het kindje Jezus op haar schoot. Ook zij is door haar kroon als koningin herkenbaar en fungeert daarmee letterlijk als bekroning van de stamboom.

Opvallend aan deze boom is dat de voorgestelde personen gekleed zijn volgens de nieuwste mode van rond 1500. Hoofse mannen droegen toen strakke broeken, het liefst met strepen onder hun rokken en de brede schoenen die 'koemuilen' worden genoemd. Helemaal rechts naast de boom staat een man uit wiens lange mantel blijkt dat hij een geleerde is. De mantel met de witte bontvoering is echter een bijzonder sjiek exemplaar van de zogenaamde tabbard. De man heeft vrij karakteristieke gelaatstrekken, een van de redenen waarom men aanneemt dat het een portret van een bestaande persoon is. Ook is hij niet betrokken bij de stamboom maar houdt hij op zo'n manier een boek dat de beschouwer het zou kunnen lezen. Maar het lijkt toch eerder dat hij het boek ophoudt voor de non die in de linker benedenhoek geknield aan het bidden is. Hij kijkt naar haar.

De figuur van de non werd pas in 1932 bij een restauratie herontdekt. De overschildering die haar onzichtbaar maakte, toonde een deurtje in de muur van de tuin waarin Jesse ligt te slapen. Ook deze non zou best een portret kunnen zijn, misschien van de opdrachtgeefster van dit schilderij. Aan haar rechterarm hangt een rozenkrans en haar wit habijt duidt op de orde van de cisterciënzers. Deze orde had een klooster in Haarlem waar ook dit schilderij vandaan komt. Achter de voorstelling van boom zijn vaag de omtrekken van een kerk te zien, mogelijk een kloosterkerk waartoe de non en dit schilderij behoorde.

De rozenkrans, de biddende houding en de blik van de non die niet op de boom maar naar binnen is gericht, wijzen erop dat ze zich in een stadium van diepe devotie bevindt. In haar mystieke ervaring is ze toegelaten tot de paradijselijke tuin waar ze de afstamming van Christus ziet met Maria als koningin in de top. Doel van deze meditatie was het om de ervaring van de geboorte van Jezus na te voelen, als de geboorte van Jezus uit het eigen hart.

Zie ook

  • Toon terzijde Wettelijke afstamming

Bibliografische referenties

H. van Os, J.P. Filedt Kok, G. Luijten, F. Scholten: Netherlandish art in the Rijksmuseum 1400-1600, Amsterdam, Zwolle 2000, p. 72-74.

Heeft betrekking op:

Lucas 3:38, Matteüs 1:16, Romeinen 1:3, Jesaja 11:1, 1 Korintiërs 3:24