Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Demonen

In het Oude Testament horen we nauwelijks iets over demonen, op enkele uitzonderingen na, zoals bijvoorbeeld de ‘leugengeest’ van 1 Koningen 22:21-23 en Asmodeüs in het boek Tobit. We vinden niets van de uitgebreide spirituele wereld van het Nieuwe Testament; met God en zijn engelen aan de ene kant en lijnrecht daartegenover Satan, aan het hoofd van een ontelbare schare demonen en ‘onreine geesten’.

Een uitgewerkte ‘demonologie’ komen we voor het eerst tegen in de Joodse traditie van na de ballingschap. In het pseudepigrafische boek HenochOudtestamentische pseudepigrafen bijvoorbeeld (geschreven van de derde tot de eerste eeuw v. Chr.), worden demonen gezien als gevallen engelen, die Satan, de vorst der demonen, zijn gevolgd na zijn opstand tegen God (1 Hen. 16:1; 19:1).

In het Nieuwe Testament vinden we die gedachte gereflecteerd. Satan is de grote tegenstrever van God. Samen met de demonen doet hij er alles aan om Gods plannen met mens en wereld te dwarsbomen. In de evangeliën wordt Jezus’ optreden op aarde constant tegengewerkt door de demonische wereld. Daarom wordt het verkondigen van het ‘goede nieuws’ en het ‘komen van Gods koninkrijk’ vaak gekoppeld aan het uitdrijven van demonen (Luc. 11:20-23). En daarom gaf Jezus zijn discipelen de macht demonen uit te drijven toen hij hen als apostel wegzond om het ‘goede nieuws’ te vertellen (Matt. 10:1-14; Marc. 3:14-15)

De demonen werden ook gezien als de oorzaak van lijden, ziekte en rampen. In de contemporaine Joodse literatuur worden er zelfs rechtstreeks demonen aan ziekten verbonden, zoals bijvoorbeeld de ‘cholera-demon’ of de ‘griep-demon’.

Heeft betrekking op:

Tobit 3:8, Jakobus 2:19, Jakobus 3:15, Matteüs 10:1-14, Lucas 11:20-23, Marcus 3:14-15, 1 Koningen 22:21-23