Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Desiderius Erasmus - Lof der zotheid

De grote Nederlandse humanist Erasmus is zijns ondanks vooral beroemd door zijn satirische werk Lof der zotheid (1509). In dit geschrift stelt hij tal van ondeugden en misstanden aan de kaak. Aangezien hij daarbij ook de kerkelijke en wereldlijke leiders bepaald niet spaart, wordt de Lof der zotheid in verschillende landen op de zwarte lijst gezet.

Op het titelblad van de eerste Nederlandse uitgave (1560) door Willem Geillyaert lezen we dat dit werk 'tot het verstant seer nuttelick, ende te lesen lieffelijck' is. Het getuigenis van Salomo, kampioen op het gebied van de wijsheid, moet dit kracht bijzetten:

Salomon schrijft zijne byspraken. Tot verstantenisse der byspraken ende hare beduydinge: woorden der Wijser, ende hare scherpheyden. Prou.I.

In het boek zelf steekt Vrouwe Zotheid de loftrompet over de dwaasheid. Ze presenteert zichzelf als de oorsprong van alle dingen. Zonder haar zou het leven onleefbaar zijn. Voor deze opmerkelijke visie ontleent ze argumenten aan de natuur, aan de werkelijkheid, aan de Klassieken en ... aan de bijbel.

Laten wij daarom de lofprijzing van onszelf ook met getuigenissen uit de Heilige Schrift mogen ondersteunen, of staven, zoals de geleerden zeggen, na eerst de theologen om verlof te hebben gevraagd dat zij ons toestemming mogen verlenen.

Het mag vreemd lijken dat Vrouwe Zotheid in haar lofrede op de zotheid zelfs de bijbelse wijsheidsboeken aanhaalt. Spreuken is, bijv. in hoofdstuk 9, toch heel expliciet over de tegenstelling tussen Wijsheid en Dwaasheid? Vrouwe Zotheid weet het beter:

Anderzijds zegt Salomo in het 15e hoofdstuk: 'Dwaasheid is vreugde voor de dwaas', uiteraard een duidelijke erkenning dat zonder dwaasheid het leven vreugdeloos is.

En denk eens aan Prediker:

Wanneer deze uitroept: 'IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!' [Pred. 1:2] Wat denkt u dat hij daarmee anders bedoeld heeft dan dat, zoals wij ook beweerden, het mensenleven niets anders is dan een spel der dwaasheid? Hij onderschrijft daarbij uiteraard de zopas aangehaalde, terecht befaamde lofprijzing van Cicero: 'Alles is vol dwazen.' En dan die wijze Ecclesiasticus die zei [Wijsheid van Jezus Sirach 27:12]: 'De dwaas is veranderlijk als de maan, de wijze bestendig als de zon.' Wat wil hij daarmee anders zeggen dan dat heel het mensenras dwaas is en dat de titel 'wijs' slechts God toekomt? Men vat de maan immers op als de menselijke natuur en de zon als God, de bron van alle licht. Hiermee in overeenstemming is hetgeen Christus zelf verklaart in het evangelie [Marc. 10:18; Luc. 18:19], namelijk dat niemand goed genoemd mag worden dan God alleen.

Met de bijbel in de hand weet Zotheid aannemelijk te maken 'dat de dwaasheid beter is dan de wijsheid' - haar eigen woorden, maar gegrond op Sirach 41:15. Trouwens, zelfs de grote apostel Paulus laat zich in 2 Kor. 11:16-23 voorstaan op zijn dwaasheid, waarin hij de anderen zelfs overtreft!

U hoort het: welke verheerlijking der dwaasheid en van welk een autoriteit afkomstig! Meer nog, dezelfde man beveelt de Zotheid aan als een bij uitstek noodzakelijke en buitengewoon heilzame zaak: 'Indien iemand onder u meent wijs te zijn, hij worde dwaas om wijs te worden.' [1 Kor. 3:18]

Vrouwe Zotheid rondt haar lofrede af door erop te wijzen dat dwaasheid in feite de kern van het christelijk geloof is, en dat de toekomstige hemelse zaligheid een volmaakte vorm van zotheid inhoudt. De lezer die in verwarring achterblijft, krijgt het advies om het glas te heffen en van het leven te genieten.

Bibliografische referenties

Erasmus, Lof der zotheid. Vertaling van Laus Stultitiae door A.J. Hiensch. Utrecht/Antwerpen: Spectrum, 1972 (3e druk)

In de DBNL vindt men Dat constelijck ende costelijck Boecxken, Moriae Encomion: Dat is, een Lof der Sotheyt uit 1560, in facsimile en in diplomatische weergave.

De Latijnse versie uit 1540 is digitaal beschikbaar op de site van Bibliotheek Rotterdam.

Heeft betrekking op:

Spreuken 15:21, Spreuken 1:5-6, Wijsheid van Jezus Sirach 27:12, 1 Korintiƫrs 3:18, 2 Korintiƫrs 11:16-23