Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Die mey spruyt uut den dorren hout

In een van de oudste bronnen uit de vijftiende eeuw, het handschrift Berlijn SPK mgo 190, bevinden zich verschillende soorten geestelijke liederen. Naast de vele kerstliederen en lofliederen zijn er ook een aantal mystieke liederen. In deze laatste gaat het over het verlangen van de mens om al in dit leven de eenwording met God of met Jezus te ervaren. Sterke nadruk valt daarbij op de liefde van de mens tot God, de liefde van de bruid tot de hemelse bruidegom. Vaak wordt daarbij verwezen naar passages uit het Hooglied.

Een lied waarin een dergelijk verlangen ook wordt uitgesproken is: Die mey spruyt uut den dorren hout. De onbekende auteur refereert zowel aan gedeelten uit het Oude als uit het Nieuwe Testament. In de eerste vier strofen gaat het over Jezus die ons gemoed kan verlichten en naar wie de dichter verlangt. Jezus, hangend aan het kruis, wordt hier vergeleken met de schone mei.

Dan zingt de bruid in de vijfde strofe:

O salomon du seitste wel
dat ic tot hem sel comen
cond ic my spoeden harde snel
ic weet het soud my vromen.
(O Salomo, u zei het goed
dat ik tot hem zou komen
als ik mij zeer snel zou spoeden
dan zou het mij goed doen.)

De zesde strofe vervolgt:

In canticis dair roept hi mi
revertere keer weder
com bruyt com duyf com mijn vriendin
com rust hier bi mi neder.
ic heb ghemenct die myrre mijn
mit menigherhande crude fijn
ic wilse delen di mede
(Al zingend roept hij mij:
keer weder, keer weder
kom bruid, kom duifje, kom mijn vriendin
kom en leg je hier bij mij neder
ik heb mijn mirre gemengd
met allerlei fijne kruiden
ik wil ze met je delen.)

Het lied eindigt met vier strofen, waarin ten slotte de bruid Jezus met open armen ontvangt, nadat Hij haar heeft uitgenodigd om bij Hem te komen. Zo wordt de eenwording ervaren.

Bibliografische referenties

E. Bruning, M. Veldhuyzen, H. Wagenaar-Nolthenius (ed.), Het geestelijk lied van Noord-Nederland in de vijftiende eeuw. De Nederlandse liederen van de handschriften Amsterdam (Wenen –NB 12875) en Utrecht (Berlijn MG 8° 190). Amsterdam, 1963.

Heeft betrekking op:

Hooglied 2:10-13, Hooglied 4:8-5:1