Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Drie schoolmakkers

Hetzelfde tijdschrift: De GidsDe geest des tijds, dezelfde jaargang (1838), dezelfde afdeling (Mengelingen). Ditmaal een 'schets uit het dagelijksch leven', van het type waarmee de Camera Obscura een jaar later roem zal verwerven. Het verhaal 'Drie schoolmakkers' wordt in De Gids anoniem gepresenteerd, maar is van de hand van Gids-oprichter en -redacteur E.J. Potgieter. Het start vanuit een bijbelvers, Haggai 1:4: 'Isset voor ulieden wel de tijt, dat ghy woont in uwe ghewelfde huysen, ende sal dit Huys woest zijn?' (Statenvertaling)

I. 1821
Haggaï I, vs. 4.’ galmde de Prediker, en men hoorde een geritsel en geratel van bladeren, als ware de kerk een woud geweest, waarin de najaarsstorm de verdorde loover opjoeg.
Niet alle toehoorders slaagden er in den tekst te vinden. Het scheen, dat de meesten het onbescheiden achtten aan de waarheidsliefde van den Leeraar te twijfelen. Vol kalme berusting sloegen zij het boek met gouden, of zilveren, of zonder sloten digt, - en luisterden naar de inleiding.
Het spijt mij van mijne helden te moeten zeggen, dat zij dit loffelijk voorbeeld niet volgden. ‘Hebt gij het gevonden, Claes?’ vroeg de oudste der drie jongens, een woelwater van de vlugste soort, ‘Haggaï I, vs. 4.’
‘Er staat geen Haggaï in, Phlip!’
‘Domoor!’ merkte de derde aan, ‘kent gij het rijmpje niet: Haggaï, Zacharias,’
‘Ja wel, ‘Maleachi die besluit het hek.’ wilde Claes voortgaan.
‘Stilte, rekels!’ riep een schipper uit de bank vóór de hunne, ‘geen mensch kan hier een oog toe doen.’
‘Dan moest ge ook naar de middag-preêk gaan,’ hernam Phlip, ‘Papa hoort geene andere! Maar komt mede, Jongens! ik zal Haggaï straks wel opzoeken.’
En Claes en Coo - want zóó heette de derde knaap, - volgden Phlip de kerk uit, - de markt over, - een paar achterstraatjes door - dáár wenkte de laatste den veerman hen over te zetten.
‘Ziet, Jongens! zeide hij, ‘zóó komen wij buiten, zonder dat iemand ons ziet.’
‘Maar wij ontstelen het geld aan de armen,’ viel Coo in.
‘Is die veerman dan rijk?’ antwoordde Phlip, met eene sophisterij boven zijne jaren, ‘ik zal hem geven wat ik gekregen heb.’
‘En bedriegen onze ouders,’ voer Coo voort.
‘Moeder vraagt mij nooit meer dan den tekst,’ hernam Phlip, ‘en dien weet ik: Haggaï I, vs. 4.’
‘En uw vader?’ zeide Claes.
‘Die vraagt nooit iets.’
‘Ik wou dat ik ook zulk een' vader had,’ zuchtte Claes, ‘de mijne vraagt altijd welke psalm vóór, en welk gezang ná.’
‘En heugt het u, als gij te huis komt?’
‘Zoo ik er een vouwtje bij gelegd heb, ja! - maar alleen Do. Rekgraag laat er een' mensch tijd toe, - driemaal van de vier is het mis, Phlip!’
‘En dán, Claes?’
‘Dan zegt mijn vader: “ik zal er in slaan wat er niet in te gieten valt; Dominé heeft zeker uit het honderd-twee-en-negentigste gezang laten zingen, honderd twee en negentig slagen, Maat! en acht op den koop toe, om het getal rond te maken.”’
‘Dan zeî ik altijd, dat wij uit de psalmen hadden gezongen, die loopen zoo hoog niet,’ schertste Phlip; ‘volg van middag mijn' raad, Jongen!’
‘Ik ben er al aan gewend, Phlip! ook heb ik er van daag wat voor over, pleizier is een bilslag waard.’
Zij traden in het schuitje, en het gesprek stokte eene wijl.
Je n'enseigne pas, je raconte,’ heeft een groot man gezegd: zal men het niet verwaand noemen, zoo ik zijne woorden de mijne maak? Men vergunne mij allen Censors, die over dit begin zuur zien, beleefdelijk te vragen, wat zij op hunnen elf- of twaalfjarigen leeftijd uit de kerk naar huis mededroegen? Ik vrees - - -

Zoals te verwachten gaan de kwajongens onder andere pruimen jatten in de oude kloostertuin. Aan het eind van het verhaal worden ze gepakt en moeten ze hun daden opbiechten tegenover de oude Zee-officier Drommelschrik:

‘Wij zijn uit de kerk geloopen.’
‘En waarom?’
‘Gij zijt een vraagal,’ antwoordde Phlip; ‘er werd gepreêkt over Haggaï I. vs. 4., en daar wij in geen gewelfd huis wonen, begreep ik, dat het mij niet aanging.’
‘Beken liever, Phlip! dat wij kwaad gedaan hebben,’ zeide Coo,
‘Wie weet?’ hernam Drommelschrik.
Zoo de kennismaking den Lezer bevallen mogt, zullen wij over eene maand zien, in hoe verre de held van Doggersbank gelijk had.

Maar dat vervolg is er nooit gekomen.

Bibliografische referenties

[E.J. Potgieter,] 'Drie schoolmakkers. Schetsen uit het dagelijksch leven' in: De Gids. Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen, jrg. 2. Amsterdam: G.J.A. Beijerinck, 1838, p. 331-346. [De volledige tekst is te vinden in DBNL.]

Heeft betrekking op:

Haggai 1:4