Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Ed. Hoornik - Ik ben de kleine dochter ...

In onderstaand sonnet van Ed. Hoornik wordt het bekende verhaal over het dochtertje van Jaïrus (Marc. 5; Luc. 8) poëtisch behandeld.

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul er uit is, zonder zwier is.

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee maal twee tezamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man, die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ík blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

Opmerkelijk is dat de eigenlijke opwekking uit de dood in dit gedicht niet plaatsvindt. Een nog grotere bijzonderheid is dat het verhaal hier verteld wordt vanuit het dode meisje. We lezen wat er in haar omgaat - hoewel ze gestorven is. Ze ligt daar, opgebaard, in afwachting van 'een man, die toveren kon'. Hij zou 'komen, / mij beter maken, maar toen kwam hij niet'. Uit de evangeliën weten wij hoe dat komt: terwijl Jezus met haar vader op weg was naar het huis waar zij lag, werd hij opgehouden door een andere zieke die hoognodig door hem genezen wilde worden (Marc. 5:25-34; Luc. 8:43-48).

Nu Jezus zo op zich laat wachten en het meisje intussen gestorven is, vertrekt iedereen ('de mensen op het dak en in de bomen' - vgl. Luc. 5:19 en 19:4): ze geloven er niet meer in. Maar dan het dode meisje: 'ík blijf van hem dromen'.
Uit de evangeliën (Marc. 5:41-42; Luc. 8:54-55) weten we dat ze niet bedrogen uitkomt.

Bibliografische referenties

Ed. Hoornik, Het menselijk bestaan. ’s-Gravenhage: Daamen, 1952.

Heeft betrekking op:

Marcus 5:22-42, Lucas 8:40-56