Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Zegswijzen

Een dorsende os zult gij niet muilbanden

Iemand die hard voor je werkt moet je daarvoor belonen.

In Israël dorste men het graan meestal door er ossen over te laten lopen, soms met een slede erachter aan, waar aan de onderzijde scherpe stukken basalt of ijzer waren bevestigd. Bij het dorsen viel het graan uiteen in stro en koren. Het stro diende als voedsel voor de ossen, daarom mochten die niet gemuilband worden.

In Deut. 25:4 wordt het de Israëlitische boer verboden zijn os te muilbanden als hij op de dorsvloer aan het werk is. De os moet met zijn hoeven de halmen van het graan fijntrappen, en de korrels eruit losmaken. Als de os geen muilband om heeft, zal hij van dat gewas eten. Omdat de korrels en de halmen nog door elkaar liggen, is dat echter een schadepost voor de boer. Liever geeft de boer pas na het dorsen wat voedsel aan de os, en legt hij hem tijdens het werken een muilband om. Maar het gebod staat dat niet toe aan de Israëlitische boer. De os heeft het recht om zijn natuurlijke aandrang te volgen en zo nu en dan een lekker hapje te nemen, zelfs al levert dat een schadepost op voor de boer. (Dr. J. Schenderling, Mens en dier in theologisch perspectief, een bijdrage aan het debat over de morele status van het dier, diss. Utrecht, 2000)

In 1 Tim. 5:17-18 wordt deze zegswijze toegepast op oudsten die prediken en onderwijs geven. Die moeten niet in zorg zitten over hun levensonderhoud, integendeel, ze moeten loon naar werken ontvangen.

"Men moet gheen katte, die ghemuylband is, met de stock slaen, om dat-ze niet en muyst." (J. de Brune, Bankket-werk van goede gedagten (2 dln.) Middelburg, 1660, dl. 2, p. 197)

Heeft betrekking op:

1 Timoteüs 5:18, Deuteronomium 25:4, 1 Korintiërs 9:9