Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Zegswijzen

Een laodiceeër

Een lauw, onverschillig mens

Een verwijzing naar de lauwheid van de gemeente in Laodicea (Op. 3:14-22): 'Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u uitspuwen.' (3:15-16)

De 19e-eeuwse schrijver-journalist Gerard Keller, die in 1878 onder het pseudoniem Conviva in Het Servetje een aantal letterkundigen uit zijn tijd zou portretteren, zette in zijn novelle Een legaat de dorpspredikant Nadering als volgt neer:

Nadering begreep dat de waarheid wel één was, maar dat ieder meende haar te bezitten, en hij was te verstandig en te goedhartig - te onkundig en te flauwhartig volgens velen - om te beweren, dat hij de waarheid had. Hij kon het zich voorstellen, dat iemand, ook om andere redenen dan omdat zijne ouders tot een zekere belijdenis behoorden, die belijdenis was toegedaan, en daarom heette Nadering een Laodiceër en stond hij al vier en twintig jaar te Helmstad, daar geene andere gemeente van hem gediend wilde wezen. Zulk een twijfelaar, die geen vleesch en geen visch was, kwam nergens in aanmerking. (p. 238)

Verderop in het verhaal wordt Nadering zwartgemaakt in een ingezonden stuk in 'De Fakkel'; de slotzinnen luiden (p. 321-322):

Nu zien wij, waar die zoogenaamde verdraagzaamheid, laten we liever zeggen, dat vloekwaardige laodicisme henen voert. Ook voor dien predikant was het woord geschreven: "hoed mijne schapen." Wat zal hij antwoorden in den dag des gerigts? Wee den ontrouwen herder, wanneer ook voor hem de bazuin des oordeels klinken zal!

In een ander 19e-eeuws werk, Het leesgezelschap van Diepenbeek uit 1847, lezen we hoe mensen tijdens de 'godsdienstige beroeringen' tussen 1830 en 1850 over elkaar spraken:

Ik wenste, dat gij hem eens gehoord hadt, hoe hij mij de les kwam lezen. Ik heb er hem op gediend, ja, en (het zij zonder roemen gezegd) zó, dat hij druipstaartend is afgetrokken; maar juist daardoor is hij nog woedender geworden. Nu vertelt hij van mij, dat ik op zijn best een twijfelaar ben, een Laodiceër, die noch heet, noch koud is, weshalve hij mij uit den mond wil spuwen. Gij kunt u niet begrijpen, wat redenen hij tegen ons uitbraakt: wij hebben, zegt hij, de gemeente aan een BelialskindEen belialskind overgegeven, aan een, die Christus' woord ten leugen maakt, aan een gevloekten Sociniaan, en ik weet niet wat al.

Bibliografische referenties

Gerard Keller, Novellen. 's-Gravenhage: Henri J. Stemberg, z.j.

Wim Zaal, Het Servetje en zijn gasten. Het Servetje van Conviva (Gerard Keller) opnieuw uitgegeven en vermeerderd met uitzichten op de Nederlandse Zangberg van omstreeks 1850. Den Haag: W. van Hoeve, [1967]

P. van Limburg Brouwer, Het leesgezelschap van Diepenbeek [1847]. Amsterdam: Elsevier, 1939, p. 250-251

Heeft betrekking op:

Openbaring 3:14