Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Ellen Heijmerikx - Blinde wereld

In Blinde wereld (2009), het debuut van Ellen Heijmerikx (1963), wordt beschreven hoe de achttienjarige Kieke breekt met het geloof van de Noorse broeders. Kieke is opgegroeid in deze gemeenschap van orthodoxe christenen - ook bekend onder de naam Christelijke Gemeente Nederland - die het leven in de wereld afwijzen.
Het verhaal speelt beurtelings in het heden en verleden. Bijbelcitaten en citaten uit liederen en leerteksten van de Noorse broeders worden in cursief en doorgaans zonder bronvermelding weergegeven. Daarnaast bevat de roman nog veel indirecte verwijzingen naar de bijbel. De bijbel is hier vooral een boek van vermaning, tucht en bestraffing.

Het boek begint op het moment dat voor Kieke de breuk definitief is. Ze woont dan vijf maanden op zichzelf in een souterrain. Haar moeder komt langs om huishoudelijke karweitjes te doen, want ze mag niet koffiedrinken met een afvallige. Haar doel is duidelijk, blijkt uit een negatieve parafrase van Lucas 15:4-7:

Terwijl ze de stofdoek langs mijn brandschone vensterbank haalt, het randje boven de gaskachel poetst, volbrengt ze haar goddelijke taak: het verdwaalde schaap teruglokken in de Gemeente, het tegenstribbelende dier meesleuren naar de kring van liefdevolle broeders en zusters, het terugduwen in de lange warme armen van Jezus. (p. 6)

Over haar vader, die leider is bij de Noorse broeders, is Kieke wat milder gestemd. En dat zelfs nadat ze van hem vernomen heeft dat de andere leiders haar ervan beschuldigen dat ze door haar wereldse invloed Else-Marthe, de jongere zus van haar beste vriendin, tot zelfmoord heeft gedreven. 'En pap bedoelt het niet zo. Hij praat de broeders alleen maar na. Zijn hele leven al.' (p. 8) Ze weet dat de ware toedracht van die zelfmoord een heel andere is, maar voelt zich schuldig als ze boos wordt, want: 'Wie tot zijn broeder zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.' (p. 9; Matteüs 5:22)

Meerdere zusters in het geloof proberen haar met brieven terug te halen naar de Gemeente. Het hoofdstuk hierover begint met de gelijkenis van de vijf dwaze en vijf wijze maagden volgens Matteüs 25:1-13, waarin gelovigen worden opgeroepen om altijd voorbereid te zijn op het moment dat het koninkrijk der hemelen zich openbaart en de wederkomst van Christus zal plaatsvinden. De Noorse broeders geloven in deze wederkomst en streven na om dan zonder zonden te zijn.
Een tante wil dat Kieke terugkomt voor haar dochter Gudrun. Maar Kieke heeft meegemaakt dat haar nichtje op twaalfjarige leeftijd het slachtoffer werd van incest met haar broer Lucas en een miskraam kreeg, zonder dat haar moeder haar steunde toen het uitkwam, en Gudrun is te zwak van karakter om de Gemeente te verlaten ondanks alles wat haar werd aangedaan. De moeder van Else-Marthe is bereid tot vergeving als het waar is dat Kieke een fatale invloed had op haar dochter. Ze spoort Kieke aan om net als zij blindelings te vertrouwen op God. Ook haar andere dochter Liv, de vriendin van Kieke, heeft ze verloren: deze heeft zich ook niet bekeerd en is vertrokken naar Engeland. Kieke voelt afkeer van het blinde geloof van deze ongelukkige vrouwen.

Als Kieke begrijpt dat de broeders de waarheid over de dood van Else-Marthe willen verdonkeremanen, gaat ze uiteindelijk de confrontatie met broeder Donker aan, die een kwalijke rol heeft gespeeld. Maar daaraan gaat een reeks terugblikken op haar jeugd vooraf. Deze spelen zich af in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, en staan in het teken van toenemende angst en vertwijfeling. Als kind leed ze onder de spanningen tussen haar ouders. Haar moeder meende haar vader in vroomheid te overtreffen en schikte zich met een gezinsondermijnende stille agressie in de vereiste onderdanigheid van de vrouw. Haar vader volgde rigide de regels van de Noorse broeders op, ook als het tegen hemzelf inging. Aangemoedigd door de broeders en op initiatief van haar moeder tuchtigde Kiekes vader haar lievelingsbroer Job regelmatig: 'Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg.' (p. 29; Spreuken 13:24). Kieke vond houvast bij haar grootouders die ook bij de Noorse broeders waren, maar er een mildere levenshouding op na hielden.

Op een avond hoorde ze haar vader de bijbeltekst 1 Timoteüs 2:14-15 voorlezen aan een echtpaar met seksuele moeilijkheden omdat de vrouw niet nóg meer kinderen wilde (p. 97):

'En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.'
Ik had zin om te vloeken. Hij wist ze altijd weer te vinden, die vreselijke teksten.

Maar ineens klonk haar vader toch milder:

'Er staat geschreven in de schrift dat wij mannen moeten leren met onze vrouwen om te gaan als met broos vaatwerk …' (1 Petrus 3:7) Ik hief mijn hoofd. Dit was voor het eerst dat hij zoiets zei. Dat had hij nog nooit gezegd waar mam bij was. Luisterde ze wel? Haar stem bleef uit. (…) 'Ook ik moet leren om mijn vrouw lief te hebben, elke dag opnieuw …' Paps stem klonk opeens zacht. Vreemd zacht. Hij kuchte, leek geraakt door zijn eigen woorden. 'En mijn vrouw zal moeten leren mij te verdragen en dat is voor ons beiden niet altijd even gemakkelijk.'

Toen haar neef Daniël haar vertelde dat hij homoseksueel was, werd Kieke gedwongen stelling te nemen, voor of tegen de broeders, door Daniël bij te staan of te vermanen, en ze wist niet veel meer te doen dan zwijgen. Beiden kenden de veroordelende bijbelteksten (p. 138-139):

'Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon in zichzelf ontvangende.' (Romeinen 1:27)
'Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.' (Romeinen 1:32)

Het besef een keuze te moeten maken wordt verwoord met een verwijzing naar Exodus 14. Nadat Daniël op het strand min of meer achteloos heeft gezegd verliefd te zijn op een broeder, gaat het als volgt verder (p. 138-139):

(…) luisterde toen pas echt naar Daniëls woorden, naar de onthulling die als een zwaard door het zand sneed, door het water waardoor de zee uiteenweek en ik het zeker wist: zo had het eruitgezien toen Mozes de zee spleet met zijn uitgestrekte arm.
'Kieke, je luistert niet!' Daniël greep me bij mijn pols en schudde me heen en weer. 'Ik ben serieus, echt serieus!' 'Ik hoor je wel, hoor.' Mijn arm verstijfde. Mijn ogen weigerden hem aan te kijken, staarden naar de zee, naar het pad over de zeebodem dat vrij snel dieper werd met aan weerszijden de angstaanjagend hoge muren van water. (…)
De angst was terug, mijn hart een galopperend paard. De hoeven kwamen dichterbij, sloegen in mijn rug, denderden door mijn bloed, mijn hoofd. Ik stond voor de gespleten zee, wilde niet, werd gedwongen om tussen de watermuren door te lopen. Achter me was een leger, een vijand die me wilde doden.

Daniël was wanhopig. Als hij ervoor uitkwam zou hij uit de gemeenschap gestoten worden en zijn ouders verdriet doen omdat ze hem niet meer mochten zien, maar als hij bleef zou hij toch niet worden opgenomen in de hemel.

Opeens liepen zijn ogen vol. (…) Het was zeewater dat uit zijn ogen stroomde, wist ik, het waren geen tranen maar de watermuren die me hadden bereikt, die me dwongen een keuze te maken. Daniëls stem kwam van ver. (…) Ik voelde me verkillen, wilde de zee niet in, wilde niet kiezen. Alle woorden die pap had uitgesproken, alle Bijbelteksten, alle uitspraken flitsten door mijn hoofd. Ik dreef bij Daniël vandaan (…) (p. 140)

'Wees waakzaam, zuster, en laat je niet meeslepen door een verkeerde geest.' Kieke zag alle broeders voor zich:

Ze vormden een kring om me heen, hieven hun bijbels naar me op. 'Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.' (Romeinen 1:18) 'Jullie gaan ten onder zoals het leger van Egypte ten onder ging tussen de watermuren van de Schelfzee.' Ik klemde me dichter tegen Daniël aan. Ik was verloren, maar het gaf niet. (p. 141)

Tijdens een samenkomst kreeg Kieke een paniekaanval toen ze de stap om de Gemeente te verlaten nog niet durfde te zetten. Het hoofdstuk hierover opent met een passage uit Openbaring 9:2-6. Een broeder vertelde over een afvallige homoseksuele jongeman die een dodelijke ziekte kreeg, waarop hij zich weer bekeerde (p. 166-167):

Zijn stem spoot over de zaal als water over het bollenveld, met harde sissende stoten. 'Gods toorn is zeer groot over hen die de Gemeente verlaten, en Zijn straf zal voor eeuwig voortduren.' Een aardbeving voltrok zich diep onder mijn stoel. Brak uit als een vulkaan. Doorkliefde mijn lichaam. Eindigde ergens in mijn hoofd waardoor ik ongelijk leek te zitten.

In de veronderstelling gek te zijn omdat ze twijfelde aan de waarheid van het geloof meldde Kieke zich aan bij een psychiatrische inrichting, achtervolgd door vermanende bijbelteksten: 'Omdat gij lauw zijt … zal ik u uit mijn mond spuwen.' (Openbaring 3:16) 'Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?' (Matteüs 14:31) Ze werd niet in de inrichting opgenomen en haar broer Job die al eerder gebroken had met hun ouders en de Gemeente, bood haar zijn souterrain aan. Eerst ging ze nog wel naar de samenkomsten, maar toen ze meer aan de weet kwam over seksueel misbruik in de Gemeente trok ze zich terug. Het kwam tot een definitieve breuk direct na de dood van Else-Marthe, die hier slachtoffer van was geworden.

Bibliografische referenties

Ellen Heijmerikx, Blinde wereld, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2009.

Klik hier voor de website van de schrijfster.

Heeft betrekking op:

Exodus 14:15-29, Romeinen 1:18, Romeinen 1:27-32, Lucas 15:4-7, 1 Timoteüs 2:14-15, Matteüs 5:22, Matteüs 14:31, Matteüs 25:1-13, Spreuken 13:24, 1 Petrus 3:7, Openbaring 9:2-6, Openbaring 3:16