Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Emblemata van Jan Luyken

In 1531 verscheen Emblematum liber van de Italiaanse dichter Andrea Alciato, een verzameling van 212 emblematische gedichten in het Latijn. Elk gedicht bestond uit drie delen: motto, pictura en subscriptio. Alciato's bundel verwierf een enorme populariteit in de 16e en 17e eeuw. Ook in Nederland waagden vele dichters zich in Alciato's spoor aan emblemata. Tussen 1610 en 1620 publiceerden o.a. Hooft, Vondel, CatsJacob Cats - Sinne- en minnebeelden en Roemer Visscher hun embleembundels. Aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw was het vooral Jan Luyken die zich nog met dit genre bezighield.

Luyken had een opleiding tot schilder genoten, waardoor hij zelf de prenten kon maken bij zijn eigen gedichten. Of misschien maakte hij gedichten bij zijn eigen prenten - het is niet uit te maken wat het eerst kwam. Luykens plaats in de geschiedenis van de emblematische poëzie is bijzonder en uniek, doordat hij als etser, dichter én mysticus in zijn - overwegend religieus-didactische - bundels een ongekende eenheid bewerkstelligde.

Vanzelfsprekend was ook voor Luyken de bijbel een onuitputtelijke bron voor motto's. Vaak plaatste Luyken een hele serie bijbelteksten bij de prent en het gedicht. In dit terzijde willen we laten zien hoe hij in Het leerzaam huisraad (1711), Des menschen begin, midden en einde (1712) en vooral Beschouwing der wereld (1708) teksten uit het bijbelboek Ezechiël inzette.

Jan Luyken
De Regenboog

Onder het motto 'Wat Noach wierd gezeid, blykt noch in onze tyd' schrijft Luyken over 'De Regenboog' (bij Ezech. 1:28, naast o.a. Gen. 9:13-16, Matt. 24:37-39 en Openb. 10:1):

Wanneer den veelgeverfden boog,
Zich sierlyk cirkelt voor ons oog,
Dan denk ik aan het eind der dagen;
Als 't al, en alles word vervuld;
Of gy; ô Vorst, van ons behaagen,
Op zulk een Troon verschynen zult?
Wanneer het weezen dezer tyd,
Dat groot gebouw, der zichtbaarheid,
In 't vuur der scheiding zal verteeren,
Na dat het zoete en harde woord,
Uit uwen mond ô Vorst der eeren,
Tot vloek en zegen is gehoort.
Toen d'eerste wereld ging te grond,
Als 't water alle vlees verslond,
Wierd dit een teeken, voor 't gedenken;
Dat de Aarde en haar geslacht voortaan,
Niet meer in 't water zouw verdrenken,
Maar in zyn weezen blyven staan.
Doch Aarde en Hemel gaat voorby,
Als 't alles aan zyn einde zy,
En dat tot blydschap voor de vroomen;
Want die zich na Gods wil bereid,
Diens stant zal aan geen einde komen,
Maar blyven in der Eeuwigheid.
Jan Luyken
De Bikkel

Ezech. 7:17-19 blijkt van toepassing bij 'De Bikkel', met het motto: 'Weest wyzer als 't onweetend Kind, dat Spel in doode beenen vind':

De Bikkel, uit het Schaapen been,
Die smyt de groote slechts daar heen;
Maar by de kleine, heeft hy waarde:
Zo raapt het kleine Kinds verstand,
't Verworpen goed uit Wyzer hand,
De snoode Dingen van der aarde.

Ezechiël 17 leent zich zelfs voor drie verschillende emblemata: 'Het Voorjaar' (vs. 5-6), 'De Wyngaard' (vs. 5-8) en 'De Hen' (vs. 23). Bij 'De Wyngaard' (motto: 'Door verdrukken, moet het lukken') verwijst Luyken nog naar drie andere profeten: Jesaja 5:1-6, Jeremia 2:21 en Micha 7:1.

Jan Luyken
De Wyngaard
De Ranken werden afgesneden,
En dat heeft zyn bekende reden:
ô Wyngaard van het dier gemoed,
Op d'Aardse Berg van vlees en bloed,
Wat hebt gy veel onnutte looten,
Zo wyd en breed in 't wild geschooten!
Die trekken door haar graage zucht,
Het voedsel van de waare vrucht.
Veel ommeslags en zwaar belaaden,
Met takken, krullen ende bladen,
Van Aards beschik en ydelheid,
Vermaak, en kommer dezer tyd;
Maar druiven zynder niet te vinden,
Wyl dezen uwe kracht verslinden.
Het is dan wel beraadens tyd,
Dat d'opzicht van Godvruchtigheid,
Bestaa, den Wyngaard-Tuyn te snoeijen,
En 't wilde hout daar uit te roeijen,
Op dat het sap, (zo wyd verspreid),
Te zaamen loop, tot vruchtbaarheid,
En zoete druiven komt te draagen,
De Hovenier tot welbehaagen,
En gy, ô Wyngaard! van het hert,
Niet schandig uitgeroeid en werd.

Ook Ezech. 34 wordt driemaal aangehaald, bij 'De Bok' (vs. 15-21), 'De Regen' (vs. 26) en 'Het Schaap' (vs. 31).

Jan Luyken
De Bok

De moraal van 'De Bok' wordt eerst zeer kernachtig samengevat: 'Niet alzo', vervolgens verwoord in het motto 'Verlaat der Bokken aard, zo zyt gy lief en waard' en ten slotte in onderstaand gedicht uitgewerkt, waarbij behalve naar Ezechiël ook expliciet naar Zacharia 10:3 en Matteüs 25:31-33 wordt verwezen:

Op dat wy in het groote scheiden
Van d'allerhoogste oordeel dag,
Niet met de Bok ter linker zyde,
Geraaken, tot het wee en ach!
Zo laat ons by de schaapjes houden,
Die luist'ren na het hemels Lam,
Dat by ons, in woestyn en wouden,
Ter rechter spoor, zo heilzaam quam.
Hoe is het veld zo ryk van bokken!
Dat wyde en breede werelds veld!
Elk zie uit haaren trein te rokken,
Wiens lust ter goede Herder held.
Geen hoorne bokken moeten 't weezen,
Die zich gezellen by het Lam;
De schaapjes worden uitgeleezen,
Ter weide, daar nooit bok en quam.
ô Lam, ô heilig Lam des Heeren,
Dat zelfs den Heer der Heeren zyt,
Laat uwen staf ons hert regeeren,
Zo worden wy tot Heil geweid.
Helpt gy ons van den bok der zonden,
U is de wysheid en de macht,
Op dat ons herte werd bevonden,
Een schaapje, dat uw gunst verwacht:
En wy aan 't eind, van 's werelds weide,
(Wanneer uw groote herders staf,
De heel vermengde trop zal scheiden,
De bokken van de schaapen af,)
Ook onder het getal der vroomen,
(Voor d'ingang van het zalig land,)
Zo zeer gelukkig, mogen komen,
Aan uw hoogwaarde rechterhand;
En voorts, gezalfd met uwen zegen,
Ter overzaal'ge weide gaan,
Daar nooit een einde word verkreegen,
Daar 't eeuwig in zyn fleur zal staan.

Een laatste voorbeeld is een van de figuren uit het 'leerzaam huisraad': 'De was-tobben', onder het motto 'Immers het waardigste'. Een van de vijf toepasselijke bijbelteksten is Ezech. 36:25-26.

Jan Luyken
De was-tobben
Het Kleed word weder schoon: maar hoe?
Het gaat niet zonder lyden toe:
Niet zonder water, vuur en looge;
Maar 't moet door deze scherpte gaan,
Zal 't van zyn vuilheid zyn ontdaan,
En welbehaag'lyk voor de Ooge.
Veel vuile Zielen in 't gemien,
Die deze zuivering ontzien,
Vertroosten haar met deze droomen;
Dat zy zo morsig en zo gruis,
In 't allerzindelykste huis,
Doch zullen werden opgenoomen:
Of zuiver worden met een wens,
En zonder leed van d'Oude mensch,
Door gunst, vergeeving en genade:
Als zeid' het vuile linnen kleed,
Ik wil wel schoon zyn, zonder leed:
Dat zouw de zuiver hand versmaade.
Genaden is'er, ongemeen,
Maar gy begeert ze om u heen,
En keerd ze met geweld van binne,
Op dat zy 't vuil' onwaardig ding
Van aardse lust niet uit en dring,
En in uw Ziel een plaats gewinne.
Blyft eens voor deze Spiegel staan,
En denkt hoe 't met u af zal gaan.

Zie ook

  • Toon terzijde Jan Luyken en de prentbijbel

Bibliografische referenties

Jan Luyken, Beschouwing der wereld, bestaande in hondert konstige figuuren, met godlyke spreuken en stichtelyke verzen / Het leerzaam huisraad, vertoond in vyftig konstige figuuren, met godlyke spreuken en stichtelyke verzen / Des menschen begin, midden en einde, vertoonende het kinderlyk bedryf en aanwas, een en vyftig konstige figuuren, met godlyke spreuken en stichtelyke verzen. [De volledige bundels zijn in de DBNL te bekijken, in diplomatische weergave en in facsimile.]

Heeft betrekking op:

Ezechiël 1:28, Genesis 9:13-16, Matteüs 24:37-39, Ezechiël 7:17-19, Ezechiël 17:5-8, Jesaja 5:1-6, Jeremia 2:21, Micha 7:1, Ezechiël 34:15-21, Zacharia 10:3, Matteüs 25:31-33, Ezechiël 36:25-26