Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Zegswijzen

Erfdeel

Bezit dat door God beloofd is.

Het woord 'erfdeel', zoals dat in oudere bijbelvertalingen vaak gebruikt werd (bijv. in NBG-1951 meer dan 200 keer), heeft betrekking op wat God aan zijn volk toegezegd heeft: het beloofde land, of het gebied dat een stam werd toegewezen. Soms wordt God de HEER zelf 'erfdeel' genoemd: Num. 18:20, Deut. 18:2, Joz. 13:33, Ps. 16:5. Ook op andere manieren kan dat erfdeel een geestelijke lading krijgen; het kan bijv. verwijzen naar het eeuwige leven. Vergelijk ook Efez. 1:11 (vert. NBG-1951): 'En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd.'
In de Nieuwe Bijbelvertaling is het woord 'erfdeel' met deze bijbeltalige betekenissen vermeden en wordt het slechts in engere zin gebruikt: het deel van de erfenis dat jou toekomt. Zie bijv. Job 42:15: 'In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job. En hun vader gaf aan hen een even groot erfdeel als aan hun broers.'

"De Martelaren ... hebben alleenlijken in acht genomen den Hemel, en met een Geestelijck ooge besightiget de onwaardige schatten van dat hooge en groote erfdeel." (D. Sprankhuisen, Alle de Stichtelijke werken. Franeker, 1657, dl. 2, p. 13b)

Heeft betrekking op:

Deuteronomium 4:21, Deuteronomium 9:26, Deuteronomium 18:2, Numeri 18:20-24, Jozua 13:6-14:3-4, Efeziërs 1:11