Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

F.B. Hotz - De tramrace

F.B. Hotz werd vanaf halverwege de jaren zeventig bekend met zijn verhalen. Voor het oeuvre dat hij daarmee opbouwde kreeg hij in 1998 de P.C. Hooftprijs. 'De tramrace' was het verhaal waarmee hij in 1974 debuteerde in het literaire tijdschrift Maatstaf; het werd opgenomen in zijn eerste verhalenbundel Dood weermiddel (1976).
Het is allereerst een verhaal over schuld en boete, wat in het werk van Hotz als een van de belangrijkste thema’s kan gelden. Verwijzingen naar God (of 'de goden'), het christelijk geloof en de bijbel komen hem daarbij nogal eens van pas. Zoals vaker speelt ook dit verhaal zich af in een christelijk dorp ergens aan het begin van de twintigste eeuw. Het verhaal wordt door een alwetende verteller in een ironische en enigszins groteske stijl verteld.

Op een warme dag vindt er als een soort dorpsvermaak een race plaats tussen twee stoomtrams, waarbij de dorpelingen, deels katholiek en deels protestant, als aanmoedigend publiek staan opgesteld aan weerszijden van de tramrails. Ook God wordt ten tonele gevoerd (p. 52):

God keek wat verbaasd naar de twee rijen Zijner volgelingen, gescheiden door zilverglanzende smeedijzeren staven. Waarom verschilden ze in hoofddeksels, gang en gebaar? Hij had geen voorkeur. Allen waren onbekwaam tot enig goed, zoals Hij al eeuwen her geopenbaard had. Het meest hield Hij nog van de kleine potentiële zondaren die alvast berouw hadden en Zijn Ogen om zo te zeggen in hun nek voelden.

Zo iemand is boer Boon: hij is eerder al geïntroduceerd als iemand die 'wist dat God kon straffen'. Hij begeert heimelijk een van de dochters van de weduwe Haman, Mathilde, en voelt zich daar schuldig over.
Op het moment dat de spanning van de wedstrijd op zijn hoogtepunt is, ontspoort een van de tramlocomotieven. Deze overrijdt een aantal van de zusjes Haman, waaronder Mathilde: zij ligt met beide benen onder het gevaarte. Boon valt op zijn knieën en bidt: 'God, keer de tijd terug, het is te erg met Uw permissie; God, U kunt het toch, laat het gisteren zijn, of één uur geleden. Ik zal dan op de rails gaan liggen, ik zal met de armen uitgestrekt voor de locomotieven staan. God, wees ons zondaars nog één enkele maal genadig.'
Het verhaal vervolgt:

God zat in Zijn Eeuwig Wachthuis en keek naar de boer. Men had Zijn Tekens weer eens niet verstaan. (...) De zon hinderde God, maar uit Z'n eeuwige wijsheid emaneerde de regenwolk die wij al signaleerden en verbleekte het licht. Slagschaduwen markeerden de boer. God zag de groezelige tranen en verstond de woorden. Hij luisterde. Hij hoorde ook dat zangerig kreunen en vond met Boon dat het te erg was. Hij overzag de glimmende rails en de dijk. Kon het nog, vroeg God Zich af. De militaire arts was er nog niet, de manschappen van de Genie nog lang niet. Maar wat hun te laten zien als ze arriveerden? Wat moest de zin van hun vertrek zijn? God glimlachte bij een inval. Zijn Genade zag scherper dan Zijn Gedachte: in een letterlijke bliksemflits combineerde Hij Zijn Intuïtie met de verkleinde schaal van Z'n Gedachte, de noodwendigheid, tot voor menselijke denkvorm inschuifbare proporties die beneden 'realiteit' schenen te heten. 'Laat het een uur geleden zijn,' had de boer gesmeekt. God rekende. Een half uur was ook goed. Een kwartier zelfs; het kon nog.

God stak Z'n Oneindige hand uit naar een reusachtige handle in het Hemels Wachthuis. (...) Hij duwde het staketsel, dat van een soort kunststof vervaardigd leek die op aarde vooralsnog onbekend was, een kwartslag van Zich af. (p. 60-61)

Beneden wordt een bliksemstraal waargenomen. De dominee mompelt: 'Gods toorn', waarop de verteller becommentarieert: 'maar hij was weer mis, het was immers Gods genade'. Als de dokter arriveert, blijkt Boon zelf onder de tram gekomen te zijn zodat hij beide benen moet missen; de meisjes zijn ongedeerd.

Het alwetende vertelperspectief draagt in dit verhaal bij aan de ironische wijze waarop God wordt afgebeeld. Hij blijkt wat minder toornig te zijn dan de personages denken, en ook met zijn almacht en alwetendheid lijkt een loopje genomen te worden: hij is afhankelijk van een inval en moet berekeningen maken. De alwetende verteller staat zelf in feite nog weer bóven God en meet zichzelf daarmee binnen zijn verhaal goddelijkheid aan: net als God kan hij ingrijpen in de loop van de gebeurtenissen en zelfs de tijd naar zijn hand zetten.
Dat bovennatuurlijke ingrijpen in het tijdsverloop heeft wel wat weg van Jozua 10:12-14, waar Jozua bidt of de zon en de maan stilgezet mogen worden. Een gebed dat God ook verhoort, maar daar is er geen sprake van dat de tijd wordt teruggedraaid.

Boer Boon krijgt in 'De tramrace' trekken van een Christusfiguur. Hij biedt God aan om op de rails te gaan liggen - zoals Jezus op het kruishout - en dan 'met de armen uitgestrekt voor de locomotieven' te gaan staan. Op deze manier neemt hij de straf van een ander op zich. Als zijn benen geamputeerd worden, staat er: 'De boer schreeuwde niet en weigerde jenever.' Zo wordt ook van Jezus gezegd dat hij zwijgend het lijden ondergaat (1 Petrus 2:23; vgl. Jesaja 53:7), en dat hij weigert om de met gal vermengde wijn te drinken die hem ter verdoving van de pijn wordt aangeboden (Matteüs 27:34).
Toch gaat de vergelijking ook weer mank: Boon biedt zich niet aan als onschuldig slachtoffer om te betalen voor de schuld van anderen, want hij wil juist boete doen voor zijn eigen schuld. Daarnaast is het slechts ten dele zo dat hij de schuld van zijn dorpsgenoten wegneemt: ook na het incident blijft er een schuldgevoel bij hen knagen over het gebeurde. In beide dorpscafés wordt een collectebusje opgehangen voor de invalide boer, 'waar het schuldig volk bij het naar huis gaan iets instopte, de eerste maanden'.

Het verhaal lijkt een wat oudtestamentische sfeer te krijgen door verwijzingen naar de tien plagen in Egypte: er zijn kikkers en muggen (p. 50) en steekvliegen (p. 59) - vgl. Exodus 8:2, 13, 20. Ook de naam Haman herinnert ons aan de bijbel; zie het boek Ester.

Bibliografische referenties

F.B. Hotz, 'De tramrace' in: Dood weermiddel en andere verhalen. Amsterdam: Arbeiderspers, 1977 (3e druk), p. 50-63.

Heeft betrekking op:

1 Petrus 2:19-24, Jozua 10:12-14, Exodus 8:2-20, Matteüs 27:34