Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

F. Bordewijk - Karakter

"De wet van de menselijke natuur wil dat zoons opstaan tegen hun vaders. `Weg met de oude man, hij stagneert de vooruitgang! Eh, ik bedoel, hij hindert mij in mijn ambities en zelfontplooiing!’ Dat is wat menige jongeman in zichzelf gromt. Wie nazaten heeft, bezit in hen niet alleen opvolgers, maar vooral mededingers en moet dus op zijn hoede te zijn. Dat is de les van een paar oude verhalen die al eeuwenlang het patroon vormen waarop de literatuur telkens weer varieert. In het hier voorliggende geval wordt dat patroon in hoofdzaak gerepresenteerd door een bijbels en een Grieks verhaal, waarmee eens te meer is aangegeven op welke pijlers ons culturele geheugen steunt. Ik doel op de geschiedenis van David en Absalom, die staat opgetekend in het oudtestamentische boek 2 Samuël, en op de mythe van Oedipus."

Met deze woorden begint Jaap Goedegebuure op 30 mei 2006 zijn rede bij de aanvaarding van het hoogleraarschap Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden. Goedegebuure geeft in zijn oratie te kennen dat er z.i. te weinig oog is voor wat hij noemt 'het mythische substraat' van de moderne Nederlandse literatuur. Intertekstualiteit moet wat hem betreft verder reiken dan de eenvoudige herkenning van een klassiek of bijbels motief in modern verhaal. Hij is 'allereerst geïnteresseerd in de verruiming van de betekenis- en zingevingsmogelijkheden die binnen bereik komen als men in staat is door een eigentijds verhaal heen te lezen en oog krijgt voor de cultuur- en mentaliteitshistorische patronen die erin opgeslagen liggen.'

Goedegebuure illustreert zijn ideeën o.a. aan de hand van Karakter (1938) van F. Bordewijk. Natuurlijk is in deze 'roman van zoon en vader' het oerpatroon herkenbaar dat hierboven werd gedefinieerd. Maar Goedegebuure vraagt nu aandacht voor een merkwaardige passage aan het eind van de roman, die tot op heden veelal onopgemerkt is gebleven. Als Jacob Katadreuffe thuiskomt na zijn laatste ontmoeting (afrekening) met Dreverhaven, zijn vader/vijand, treft hij daar niet zijn moeder, maar alleen Jan Maan. Katadreuffe is gespannen en onrustig, en zegt volkomen onverwachts:

- Zeg Jan, ik zou eigenlijk wel eens naar een kerk willen.
Jan Maan keek op.
- Ben je gek, kerel? Kerk? Wat bedoel je met kerk?
(...)
Katadreuffe peinsde stil voor zich heen over wat hij zoëven had uitgesproken. De vore van het nadenken verscheen boven de wortel van zijn neus. Neen, het was niet juist wat De Gankelaar had beweerd, godsdienst was geen ouderdomskwaal, hij had opeens een behoefte, niet om op de godsdienst te steunen, want dat was minderwaardig voor een man, maar toch om God in te lijven in zijn leven als een gedachte waarbij hij kon verwijlen.
(...)
Toen dacht hij er weer over hoe hij God bij zich zou inlijven, niet als kapitalist, maar omdat het thans het ogenblik was, nu hij op het punt stond de reis te beginnen. Daar mochten geen lacunen zijn in de lading, alles moest netjes gestuwd liggen, ja, inderdaad, nu hij goed rondkeek, zag hij nog een ruim dat was overgeslagen. (p. 280-281)

Volgens Goedegebuure "leidt dit schijnbaar niet afgehechte verteldraadje naar een betekenislaag waarin de historie van Oedipus zich verknoopt met een oudtestamentisch verhaal dat nog bekender is dan dat van David en Absalom. De ultieme mythe waarin een vader het op het leven van zijn zoon heeft voorzien, is te vinden in Genesis 22. De handeling mag bekend worden verondersteld: God eist van Abraham dat die zijn zoon Izaak offert. En Abraham gehoorzaamt, zonder Izaak te vertellen wat hij van plan is. Hij gedraagt zich als willoos instrument, meer niet. Je zou kunnen zeggen dat Abrahams vaderhand die het mes naar Izaaks borst brengt, wordt voortbewogen door de lange arm van die andere vader, God zelf. Dat is in elk geval de suggestie die ligt opgesloten in een passage waar Abraham zich achter die ander verschuilt. Op Izaaks vraag waarom ze er zonder offerdier op uit getrokken zijn, antwoordt zijn vader, in de gedragen bewoordingen van de Statenbijbel die wat mij betreft goed bij deurwaarder Dreverhaven passen: `God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon.’
Zoals Abraham optreedt als handlanger van God, zo doet Dreverhaven dat evenzeer, al is het misschien onbewust. In de gelijkenis tussen de twee vaderfiguren ligt de verklaring voor de impulsief bij Jacob [Katadreuffe] opkomende wens om ter kerke te gaan zodra hij zijn vader heeft overwonnen. Want dan komt van achter diens rug de ware patriarch te voorschijn, de Allerongenaakbaarste Vader die onze held onderwerpt aan een uitdaging waaraan hij zich, plichtsbewust als hij nu eenmaal is, onmogelijk kan onttrekken."

Zo bezien is de overwinning op Dreverhaven zeker geen eindpunt, maar een tussenstation op Katadreuffes reis met onbekende bestemming, waarop ook deze Jacob 'het gevecht met de Engel' wacht.

Bibliografische referenties

F. Bordewijk, Karakter. Roman van zoon en vader. 's-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar, 1977 (19e druk).

Jaap Goedegebuure, Het mythische substraat. Verhaalpatronen in de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw. (Rede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar op het gebied van de Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden op dinsdag 30 mei 2006).

Heeft betrekking op:

Genesis 22:8