Overzicht bijbelboeken

Letteren > Po√ęzie

Fons Jansen - Job's klacht

De cabaretier Fons Jansen (1925-1991) geeft in Job's klacht een originele wending aan het verhaal van Job. Hier klaagt Job niet omdat hij alles is kwijtgeraakt - zoals in Job 3 - maar omdat hij zo schandelijk rijk is - zoals in het begin van Job 1. De vraag naar Gods rechtvaardigheid krijgt hierdoor een andere inhoud: de rijke Job heeft grote problemen met het feit dat het in de wereld zo oneerlijk verdeeld is. Zijn rijkdom is eerder een vloek dan een zegen; zijn vroomheid wordt erdoor bedreigd.
In deze klacht worden ook allerlei uitspraken van Jobs 'tegenstanders' - zowel Satan als Jobs kritische vrienden - aangehaald.

Job's klacht

Wat is er, God, dat u mij overstelpt met gaven
Wat is er, dat u mij overlaadt met zegeningen?
Waarom moeten anderen worden beproefd
Met armoede, schande, ziekte en angst?
Denkt u dat ik zo'n proef niet zou doorstaan?
Is het daarom dat u mij beveiligt in welvaart?

Waarom zet u mij klem in rijkdom, in weelde
Zodat er geen ruimte meer blijft voor een wens?
Waarom hecht u mij aan u vast met geschenken
En bindt u mij levenslang met verplichtingen?
Zou ik zonder beloning niet trouw zijn aan u?
Moet mijn geloof met bezittingen worden gekocht?

Hoe kan ik nog bidden tot u als mijn redder
Wanneer u mij plaatst in een aards paradijs?
Als niets me ontbreekt, wat blijft er te vragen
Waar leef ik op aan, als ik alles al heb?

Toen ik dacht over wat u hiertoe heeft bewogen
Toen geloofde ik het spel dat u speelt te doorzien
Kwam het ooit voor dat een mens werd gezegend
Zonder dat alles hem weer werd ontnomen?
Noem mij een mens die geluk mocht behouden
Bij wie het geen voorloper werd van verdriet?

Uit het magere jaar zien we uit naar het vette
Ons hart is verheugd door de hoop op wat komt
Als het vette er is en het hart wordt verzadigd
Bekruipt ons de vrees voor een kerend getij

Wat heeft het voor zin dat u geeft en weer afneemt?
Waarom zijn uw gunsten nooit eens en voorgoed?
Zo maakt het bezit me maar bang en wantrouwend
Want die het me gaf, komt straks terug als een dief

Als de mensen mij zien, hoor ik rondom gefluister
Mijn vrienden van vroeger, ik ken ze niet meer
De een zegt: 'Die voorspoed is loon voor je deugden
Want zonde baart rampspoed, maar godsvrucht geluk'
De ander: 'Geen kunst om in welvaart en weelde
Een vrome te zijn voor het aanschijn van God'
Een derde: 'Mijn leven was een en al trouw aan de wet
Waarom moet ik lijden als Job wordt gezegend?'

Ik durf mij bij armen al niet meer vertonen
Want zie, mijn bezit wekt hun afgunst en haat
Mijn voorspoed maakt enkel hun pijn nog maar erger
Ze vragen zich af, wat ze hebben misdaan

Ik hoor al uw raad: 'Deel je rijkdommen uit
En geef de behoeftigen van je bezit'
Maar krijg ik in ruil daarvoor eerlijke vriendschap?
Slechts afstand en achting, gekruip en gevlei
Want iedere gift wordt een muur tussen mensen
De gever vereenzaamt maar van wat hij heeft

Omdat u 't bezit onrechtvaardig verdeelde
Moet ik het dan zijn die die fout weer herstelt?
Ik ben ooit verplicht om mijn broeder te hoeden
Maar moet ik nu ook nog gaan toezien op God?

Zo vullen zich dagen en nachten met peinzen
Wat dankbaarheid was wordt ten slotte verwijt
Bezit is een last en de rijkdom beproeving
Ik lijd dit teveel tot u anders beschikt

Heeft betrekking op:

Job 3:20-23