Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Franca Treur - Dorsvloer vol confetti

Wie nat wil worden moet in de regen lopen. Wie zalig wil worden, moet de middelen gebruiken: de Bijbel lezen, naar de kerk gaan en naar de catechisatie. De zaligheid is er niet mee te verdienen, maar de Heere mocht er in zijn lankmoedigheid nog eens iets van komen te zegenen. (p. 9)

Zomaar een voorbeeld van de gangbare denkwijze in het gezin Minderhoud, dat in de debuutroman van Franca Treur (1979) wordt geportretteerd. Treur schetst aan de hand van de 12-jarige Katelijne een beeld van het leven in een reformatorisch boerengezin in Zeeland. Het boek is zeker geen kille afrekening met een bekrompen strenggelovig milieu; het biedt veeleer ruimhartig toegang tot een kring die doorgaans gesloten is en naar binnen gericht. Het ligt voor de hand dat de reacties op de roman uiteenlopen: de vele fans van Knielen op een bed violen omarmen een nieuw onthullend boek over orthodoxe gelovigen, terwijl de reformatorische gemeenschap - toch al meer vertrouwd met de tale Kanaäns dan met literaire fictie - de schrijfster beticht van nestvervuiling.

In een grote reeks gedachten en gesprekken, voorvallen en gebeurtenissen groeit een steeds completer beeld van het dagelijkse leven op de boerderij, en de rol die geloof, kerk en bijbel daarin spelen. Het eerste hoofdstuk ('Een nachthutje in de komkommerhof' - vgl. Jes. 1:8) beschrijft een zondag, waarop de kerkdienst - 's zomers zijn het er zelfs drie op een dag - vanzelfsprekend het ritme bepaalt.
In de morgendienst wordt meestal een preek van een 'ouwe schriever' als SmytegeltHet Gekrookte Riet voorgelezen. Bij de koffie wordt de preek in het gezin nabesproken; de kinderen moeten het thema van de preek herhalen en de punten waarin de preek was onderverdeeld.

'Sterven aan Gods heilige wet,' zegt Katelijne. 'Eén: de wet vervloekt de zondaar. Twee: de wet verdoemt de zondaar. En drie...' Ze hapert.
'Net wist ik het nog,' zegt ze benauwd. Vervloekt, verdoemd, wat was nou het derde punt? Ze bengelt met haar voeten heen en weer, waarbij de rand van de stoel in het vlees van haar knieholtes snijdt.
'De wet doodt de zondaar,' zegt ze opgelucht.
De vader knikt. 'Weet je z'n tekst ook nog?'
Katelijne denkt even na. Het was uit Galaten, maar ze hoeft het al niet meer te zeggen (...) (p. 13)

De rest van de zondag wordt besteed aan het lezen van de Saambinder of een verantwoord leesboek. 's Middags gaat iedereen een tijdje op bed. 'Door tevreden te snurken hopen ze dat de vader hen om twee uur niet wakker maakt, zodat ze tenminste aan de middagdienst kunnen ontsnappen.' Op zondagavond wordt voor de verandering niet uit de Statenbijbel voorgelezen, maar uit de kinderbijbel. 'Dat mogen ze van de vader eigenlijk niet zeggen, kinderbijbel, want er is maar één echte Bijbel, het ware Woord van God en dat is voor jong en oud.' Daarna zingen ze met z'n allen een flink aantal psalmen.

Op deze bewuste zondag komt tijdens het middagdutje een Duits echtpaar met een ziek jongetje de oprit van de boerderij oprijden. De vrouw vraagt Katelijne of ze hier voor één nacht hun tent mogen opslaan.

Willen ze hier kamperen op het erf? De vader en moeder willen dat nooit hebben. Geen geloop van vreemden op hun hof.
Katelijne schudt haar hoofd. Dat gaat niet.
'Er ist krank,' zegt de vrouw. Ze wijst naar de jongen die achterin zit. (...)
Krank. Katelijne proeft het woord met haar oren. Ooit heeft de Heere Jezus zelf dit woord gebruikt [vgl. Matt. 25]. 'Ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht,' zei Hij. 'Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.' (p. 18)

Met deze steun in de rug durft Katelijne wel toestemming te geven, hoewel ze vermoedt dat haar ouders boos zullen zijn

... maar ze kan niet anders. De Emmaüsgangers herkenden de Heere Jezus ook niet toen Hij met hen mee wandelde en toen ze Hem in huis nodigden [vgl. Luc. 24]. Je moest er toch niet aan denken dat je Hem zou hebben weggestuurd. (p. 20)

Met die vreemde gasten op z'n erf kan de vader natuurlijk niet van huis weg, dus moet de moeder maar met Katelijne en de jongens naar de middagdienst.

Katelijne hoopt dat de preek zal gaan over de barmhartige Samaritaan [Luc. 10] - die schoot haar onderweg nog te binnen - maar het gaat helaas over de kinderen van Juda die door de Babyloniërs uit Kanaän werden weggevoerd omdat ze tegen de Heere hadden gezondigd. De meesten schikten zich in hun nieuwe land en pasten zich aan de goddeloze Babyloniërs aan. Slechts een paar waren er nog die de Heere bleven vrezen, een enkele Sioniet die weende vanwege heimwee naar de tempel en om het wonder dat de Heere hen nog niet om hun zonden had verteerd:
'Zouden we niet moeten wenen, omdat de Heere geweken is uit ons vaderland? Zouden we niet moeten wenen, nu de regering met God of Zijn gebod geen rekening meer houdt, nu zij Gods geboden, Gods dag en Gods Naam lastert? Zouden wij niet moeten wenen omdat er zo weinig ware, wenende Sionieten meer zijn, nu er slechts hier en daar nog één is overgebleven als een nachthutje in de komkommerhof?'
Precies, denkt Katelijne, die de preek maar meteen toepast. We moeten een nachthutje zijn in de komkommerhof, en dat betekent dus onderdak bieden aan degene die daarin wil schuilen, want hoe weet de wereld anders dat we nachthutjes zijn? (...)
'O geliefden, dat wij ons in dit middaguur nog eens mochten verootmoedigen in waarachtig schuldbesef,' leest de ouderling met net een beetje extra dramatiek in zijn stem, wat betekent dat het amen nadert. (...)
'Wij hebben het maar zo nodig dat het ons gaat als de ware Sionieten. Vaders en moeders, jongelingen en jonge dochters, kinderen: wat zou het groot zijn, wanneer we het eens uit mochten roepen: We hebben God op 't hoogst misdaan, wij zijn van 't heilspoor afgegaan. Ja, wij en onze vaad'ren tevens. [Psalm 106:6, berijmd] Och, dat we eens hartelijk mochten buigen voor Gods onfeilbaar en dierbaar Woord. Amen.' (p. 22-23)

Bibliografische referenties

Franca Treur, Dorsvloer vol confetti, Amsterdam: Prometheus, 2009.

Heeft betrekking op:

Jesaja 1:8, Galaten 2:19, Matteüs 25:36-40, Lucas 24:13-31, Psalm 106:6