Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

François Haverschmidt - De tandmeester

Ik heb hem gehaat, met een doodelijken haat. Dat is letterlijk waar, al is het schande. Toen hij begraven werd had ik pleizier: ik klapte in de handen.

Zo begint het verhaal 'De tandmeester', dat François Haverschmidt in 1874 schreef en twee jaar later in de bundel Familie en Kennissen publiceerde. Haverschmidt is in de Nederlandse literatuur vooral bekend als het alter ego van Piet Paaltjens, de Leidse student-dichter wiens werk in Snikken en Grimlachjes (1867) uitgegeven werd. De spot en ironie waarmee Haverschmidt via Piet Paaltjens zijn zwaarmoedigheid wist te relativeren, was hem later als dominee in functie niet meer gegund. In de jaren 70 schreef hij veel over zijn jeugd 'in een verwoede poging op deze manier, althans in de herinnering, nog een stukje geluk te achterhalen' (Nieuwenhuys); deze verhalen zijn in Familie en Kennissen bijeengebracht. Na nog jaren van strijd tegen zijn depressies moest Haverschmidt opgeven. In 1894 maakte hij een eind aan zijn leven; het ging niet meer.

In het verhaal 'De tandmeester' verheugt de ik-figuur zich mateloos over de dood van de joodse tandarts Davidson.

Neen het kwam niet te pas, en geen week later ook of ik had mijn verdiende loon: ik verging van de pijn.
Het geval wilde dat mijn gebit in een staat van overgang verkeerde, en dat de beurt om plaats te maken voor een duurzamer opvolgster juist was aan een buitengewoon ziekelijke, maar met dat al radeloos hardnekkige kies. De natuur deed zeker haar best om de weerspanneling uit den weg te ruimen, maar dat langzame, dreinerige knagen begon mij te vervelen. Ik nam dus een griffel, behoorlijk geslepen, en stak die zoo diep ik kon in den gapenden muil van het kleine, onwillige monster. 'Knap,' zei de punt van mijn wapen en ik lag te krimpen als een afgestroopte paling in het zout.
'Daar heb je 't nu al,' merkte moeder op. 'Je waart zoo blij dat de arme Davidson dood is, en nu gaf je wat als hij je nog eens helpen kon.' Ik wou dat zoo dadelijk niet toestemmen. Dokter Kramer zou de kies er ook wel uitkrijgen!

De jonge dokter Kramer is nog maar net afgestudeerd. Zijn botte-bijl-aanpak doet de ik-figuur direct terugverlangen naar zijn oude tandarts: 'ik moest in mijn binnenste erkennen: neen dan deed Davidson, de gehate, de miskende, de in den dood nog door mij verguisde Davidson toch heelemaal anders!' In zijn herinnering haalt hij de wonderdaden van de nu al bijna heilige Davidson weer op.

O als ik daar weer aan denk dan vraag ik opnieuw: hoe konden wij hem toch zoo doodelijk haten, den redder in den nood, den voltrekker zeker van bloedige vonnissen, maar op een manier die er geheel het karakter van een bloedig vonnis, althans van een vonnis, aan ontnam? Neen, ik druk mij niet te sterk uit als ik zeg: hij ontgoochelde ze ons, de onbruikbare tanden en lastige kiezen, en terwijl hij ons als een andere Bamberg op een vermakelijken toer scheen te onthalen, zette hij, zonder dat wij er iets van merkten, al wat er scheef in onzen mond wou groeien in minder dan een ommezien recht op zijn plaats. Hoe het komt dat mijn gebit ook nu nog, na een half menschenleven dienst gedaan te hebben, vast aaneengesloten in het gelid staat als een peloton Pruisische soldaten, en dàt terwijl de tanden van mijn vriend Sander den lossen slinger vormen van Hollandsche schutters die op de markt voor den burgemeester defileeren? Vanwaar dat ik gerust kan schateren, maar Dolf lacht niet of ge krijgt een afgebrand dorp te zien? Waar het aan ligt dat Lucas met zijn ingevallen mond wel tien jaar ouder lijkt dan ik, en we schelen toch heusch maar tien maanden dat ik ouder ben? Waarom Simon mij benijdt als ik zijn naam uitspreek zonder te lispelen? En hoe te verklaren dat ik abrikozenpitten kraak, terwijl Hein geen raad weet met een simpel waterkadetje? Dit alles en zooveel meer is het werk van u, weldoener mijner jeugd, edele Davidson, wiens dood ik in mijn verblinding gezegend heb, en ik wist niet dat, zoo gij wat langer geleefd hadt, ook die eenige kies, wier gemis ik nu moet betreuren, voor mij gespaard zou zijn! Want ik mis er ééntje. De plek waar Dr. Kramer mijn geloof in zijn kunst verspeelde, de onzalige plek waar hij, met jeugdig vuur en jeugdige onhandigheid, mij folterde tot ik er onder dacht te bezwijken, die plek en die alleen is woest en ledig gebleven.

De zinspeling op het scheppingsverhaal in de vorige zin (Genesis 1:2 'De aarde nu was woest en ledig') lijkt de deur open te zetten voor meer bijbelcitaten op de laatste bladzij van het verhaal. In de zin 'Van de jongelingen zal men kunnen zeggen: hun tanden zijn als leeuwetanden, baktanden hebben zij eens ouden leeuws, en der jonkvrouwen tanden zullen zijn gelijk een kudde schapen die opkomt uit de waschstede' herkennen we de woorden uit Hooglied (4:2, 6:6) en Joël 1:6. Het beeld van 'tanden als leeuwentanden' vinden we ook in Openbaring 9:8 en in Wijsheid van Jezus Sirach 21:2. Met een citaat uit dat laatste bijbelboek (1:23, 'Een langhmoedich man sal eenen tijdt langh verdragen: ende ten laetsten sal hem de vrolickheyt vergelden', in de Statenvertaling) sluit het verhaal af:

Waar ze hem [de overleden Davidson] heengebracht hebben weet ik niet. En al wees men mij zijn zerk, ik zou het Hebreeuwsche opschrift niet kunnen ontcijferen (er staan zeker geen klinkers bij). Doch in mijn gedachten lees ik op den steen dit woord van zijn wijzen volksgenoot Sirach: 'Te zijner tijd verdraagt de lankmoedige en blijdschap is zijn vergelding.'

Bibliografische referenties

François Haverschmidt, 'De tandmeester' in: Snikken en Grimlachjes. Familie en Kennissen, bezorgd en ingeleid door Rob Nieuwenhuys, Amsterdam/Antwerpen: Elsevier Manteau, 1981, p. 182-188. [Het verhaal is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Wijsheid van Jezus Sirach 1:23, Wijsheid van Jezus Sirach 21:2, Joël 1:6, Hooglied 4:2, Hooglied 6:6, Openbaring 9:8