Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Frans Fransen - Puk en Muk door Afrika

Carl Storch
Omslag van Puk en Muk door Afrika deel 1

Vooral beneden de grote rivieren groeiden vanaf 1929 enkele generaties katholieke kinderen op met de kinderboekenserie Puk en Muk. De serie is geïnspireerd op de oorspronkelijke figuurtjes 'Puckchen und Muckchen' van de Hongaarse karikatuurtekenaar en verhalenverteller Carl Storch (1868-1955), die zich op zijn beurt liet inspireren door Max und Moritz van Wilhelm Busch (1832-1908). Storch publiceerde 'Puckchen und Muckchen' vanaf 1906 in de Seraphischer Kinderfreund.

Frater Franciscus Xavierus van Ostaden (1896-1961) was verbonden aan de Congregatie van de Fraters van Tilburg. Via de Seraphischer Kinderfreund kwam hij in aanraking met 'Pukchen und Muckchen'. Onder het pseudoniem Frans Fransen bewerkte hij enkele verhalen, maar begon zelf ook nieuwe te schrijven; Storch was bereid ook de Nederlandse versie te illustreren. De verhalen over Puk en Muk verschenen vanaf 1929 in De Engelbewaarder, een katholiek tijdschrift voor de Nederlandse jeugd. Tot 1940 verschenen de meest populaire verhalen; ze werden herdrukt na 1945.
Na de dood van Frater Franciscus stond op zijn bidprentje o.a. deze tekst: 'Tot zijn laatste levensdag - hij was op weg naar school - heeft hij gewerkt voor de jeugd. Het waren zijn pukken en mukken, die hij de blijdschap van het leven liet zien.'

De leefsituatie van Puk en Muk is duidelijk geënt op de situatie in een jongensweeshuis. Frater Franciscus was daarvan ongetwijfeld op de hoogte. Hij had banden met het R.K. Jongensweeshuis in Tilburg. Daarom wonen Puk en Muk in zijn verhalen in Klaas Vaakland, achter de grote bergen, bij oom Klaas en zijn andere jongens.
Over het algemeen bevatten de verhalen van Puk en Muk niet veel religieuze of op de bijbel gebaseerde uitspraken. Die uitspraken doen ook wat toevallig aan, alsof ze tussen neus en lippen door gezegd zijn. Maar ondertussen is het katholieke stempel onmiskenbaar.

Carl Storch
Puk danst met zijn parapluutje

Eindelijk naar Afrika. Op een keer stormt het verschrikkelijk in Klaas Vaakland. Puk zet zijn parapluutje op en waait de lucht in. Muk houdt zich met één hand vast aan Puks been. Veel lucht en wind later belanden ze veilig in de tuin van professor Snuffelmans, die juist plannen heeft naar Afrika te gaan. Puk en Muk gaan natuurlijk mee. Eenmaal in Afrika beleven ze allerlei avonturen.

Ze reizen van het zuiden naar het noorden, van Kaapstad, waar ze Oom Samuel Trippel ophalen, naar Egypte. Ze reizen per auto, spoor en te paard, per ossenwagen en te voet door het uitgestrekte continent. Alle groot wild van Afrika komt langs. Wanneer Puk een zebra ziet:

"Oom Sam," zei Puk, toen hij een tijdje bij zich zelf had zitten denken, "zijn die zebra’s wit met zwarte strepen of zwart met witte strepen?"
"Ik denk, wit met zwarte strepen, maar ik ben er ook niet bij geweest, toen God die dieren schiep."

Later op een missiepost gaat het verder over de dieren, wanneer Puk en Muk een boer zien met een olifant voor z’n ploeg. Pater Verwiele legt uit:

"... deze man weet, dat O.L. Heer de dieren niet alleen gemaakt heeft om door de mensen te worden opgegeten, maar vooral om de mensen te dienen ..."

Diezelfde Pater Verwiele laat ook zien hoe het gebod 'steel niet' in zijn parochie werkt:

"... Niet dat ik kwaad wil spreken van m’n parochianen, maar die lui vinden hier alles. Stelen doen ze nooit, maar ze vinden het. Zo was ik 'n tijd geleden ook enkele dingen kwijt geraakt ... m'n fietspomp was ook foetsie ... . Daarom stak ik maar 'n ferme preek af, dat mensen, die al zoveel van de goede God wisten, ook begrijpen moesten dat ze goed moesten doen wat O.L. Heer wilde. En laten wat Hij verboden had. Dat ze helemaal niets mochten nemen wat van 'n ander was. ..."

Gelukkig komt een oud vrouwtje na de preek de fietspomp terugbrengen: gevonden!

Carl Storch
Omslag van Puk en Muk door Afrika deel 2

Op een keer maakt de expeditie een sprinkhanenplaag mee. De kinderen van het schooltje van Pater Verwiele blijven weg om de sprinkhanen te vangen, te roosteren en op te eten. Pater Verwiele legt uit:

"Toen ik pas hier was, mijnheer Snuffelmans, vertelde ik de jongens ook 'ns 'n keer van Sint Jan de Doper, dat die zo boetvaardig was dat hij sprinkhanen at, elke dag. En toen riepen de kleintjes: 'O, wat ’n lekkerbek!' Later begreep ik dat pas, toen ik 'n sprinkhanenvangst had meegemaakt."

En zo gaat het verder. Puk en Muk door Afrika leest als een rondgang langs de vitrines in een museum over Afrika van vóór 1940, zoals het Missiemuseum in Steyl. Tentoongesteld en nader beschreven worden buffels, neushoorns, olifanten, panters, leeuwen, nijlpaarden, de boa constrictor, apen en gorilla’s, papegaaien, krokodillen, de sykomore en zijn lianen, trommels, kalebassen, de grote vergadering of palaber, de regentijd, de wilde vijg, Pygmeeën, Hottentotten, Kaffers, wat een safari is, een termietenheuvel, de malariamug, de tse-tsevlieg, pombee of maisbier, het Swahili voor olifant tembo, kinine, een muskietennet, olifantsgras, het langhoornrund, een sprinkhanenplaag, de bananenboom, de piramiden en de dromedaris, dadels en couscous. En nog veel meer, waaronder het overwicht van het christendom over de Islam en het heidendom.

Carl Storch
Bananenoogst in Afrika

Aan het eind van de reis maken de ooms Snuffelmans en Trippel de balans op, en vragen Puk en Muk hoe Afrika hun bevallen is. In het antwoord van Muk draait het vooral om het eten. Maar Puk krijgt de moraal van het verhaal in de mond gelegd:

"Ja ooms, hier in Afrika leven heel veel verschillende soorten dieren. Daar hebben we veel van geleerd. En mensen leven hier ook verschillende soorten, meest zwarten en bruinen. Maar toch zijn er eigenlijk maar twee soorten van mensen in Afrika: mensen die echt blij en gelukkig zijn en mensen die doen of ze blij zijn. De blije mensen zijn die waar de missionarissen wonen, en de heidenen met hun lawaai en rumoer kijken niets blij uit hun ogen. 't Is net of die altijd angst hebben."

Bibliografische referenties

Frans Fransen, Puk en Muk door Afrika. Met bandtekening en illustraties van Carl Storch. Tilburg: Uitgeverij Zwijsen, 1958 (eerste deel, 6e druk); Tilburg: Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis, 1953 (tweede deel, 4e druk).

www.lambiek.net over Carl Storch.

Heeft betrekking op:

Matteüs 3:4, Genesis 1:26, Exodus 20:15