Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Frans Kellendonk – Mystiek lichaam

Mystiek lichaam van Frans Kellendonk (1951-1990) is het verhaal van de krankjorume familie Gijselhart: vader een aartsgierige weduwnaar, dochter een onnozele kletskous, zoon een twijfelende homoseksueel. Als dochter Prul in blijde verwachting aanklopt bij haar vader, komt deze tot de ontdekking dat de economie van de liefde meer rente opbrengt dan die van zijn kapitaal. Ook zoon Leendert beleeft een dubbel faillissement: dat van de kunstwereld, en dat van de homoseksuele liefde.

Toen Mystiek lichaam in 1986 werd gepubliceerd, veroorzaakte dat een heftige uitbarsting van reacties. Hier was een jonge, homoseksuele man, die het aandurfde het hele westerse kapitalistische denken op de hak te nemen, en er traditionele, stokoude waarden tegenover te stellen. Hier was een schrijver, die anno 1986 zonder blikken of blozen teruggreep op een tijd dat de (katholieke) kerk nog een bindend maatschappelijk element vormde; een schrijver die het bijbelse verbond tussen man en vrouw, hemel en aarde, lichaam en geest verheerlijkte en de homoseksuele liefde, die niet op voortplanting gericht is en dus buiten 'de geschiedenis' staat, verwierp. En het ergste van alles: deze schrijver deed dat volgens velen op overtuigende, ja zelfs briljante wijze.

Mystiek lichaam is alles behalve een eenvoudig boek. Ieder hoofdstuk, iedere zin, ieder woord, functioneert in het geheel als de machines, de radertjes en de moeren in een fabriek. Ieder moertje moet op zijn plaats blijven; haal je er een onderdeel uit, dan blijft de machinerie steken. Om het boek goed te kunnen begrijpen, is het dan ook van groot belang dat de bijbelse referenties door de lezer opgepikt en begrepen worden. En bijbelse referenties zijn er talloos, zo ook naar het boek der liefde: Hooglied. Misschien wel juist naar het boek Hooglied, omdat in Mystiek lichaam de inhoud van het Verbond dat God met de mensen heeft gesloten wordt verheerlijkt. De inhoud van dat Verbond is dat man en vrouw samen een 'mystiek lichaam' vormen dat de Geschiedenis voort kan zetten door het voortbrengen van kinderen. Iedereen die de Geschiedenis niet op deze manier voortzet, behoort in de logica van deze roman niet tot de Geschiedenis en leidt een doelloos en tragisch bestaan. Zie hier de overeenkomst: in zowel het Hooglied als in Kellendonks roman is de eenwording tussen man en vrouw een centraal thema.

In het slot van het boek geeft de homoseksuele Leendert een 'hoogliedje op de dood'. Hij heeft dan zijn lot aanvaard en is weer verliefd geworden op een jongen. De angst dat hij besmet is door zijn rijpere jongen en die besmetting op zijn beurt heeft overgebracht op zijn nieuwe vriend accepteert hij.

Tijd voor een liedje, vond Broer. Een hoogliedje op de dood. Zijn zelfmoordgedachten waren niets anders dan ongeduld geweest. Hij was niet meer ongeduldig. Hij meende nu te weten wat de verbazing van zijn rijpere jongen betekend had. Zelfmoord was een kamertjeszonde vergeleken met de bruidsnacht waarmee zijn geduld beloond zou worden. De dood, daar kon je staat op maken, die zou nooit verstek laten gaan. Zekerheid die alles onzeker maakt, neuriede hij, trouwe allemansvriend, niet-zijn dat, meer dan wat ook, is, aan jou ben ik al in de moederschoot uitgehuwelijkt. Ik zocht naar jou en vond je niet en al die tijd heb je me naar het altaar geleid.

Deze geaccepteerde doodsdrift staat tegenover de levensdrift van Magda, bijgenaamd Prul.

Door dit slot zou je kunnen concluderen dat Kellendonk in Mystiek lichaam vooral een ondubbelzinnig hooglied op de 'genieën van de natuur' (de moeders, in dit boek vertegenwoordigd door Magda) heeft geschreven. Zij zijn immers degenen die met hun buik ('de wieg van de geschiedenis') de onvoltooid verleden tijd in stand houden. De mannen, van welke seksuele voorkeur ze ook blijk geven, spelen hierin een bescheiden rol.

Bibliografische referenties

F. Kellendonk, Mystiek lichaam, Amsterdam: Meulenhoff, 1986 (2e dr.).

C. Peeters. 'Een wrang hooglied' in: Conflictstof; polemieken en kritieken, Amsterdam 1994, p. 45-61.

Recensie van Thomas van den Berg in Het Parool, 1998.

Heeft betrekking op:

Hooglied 3:2, Hooglied 8:6