Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

G. van der Graft - De duif in het ei

De dichter Guillaume van der Graft (pseudoniem van Willem Barnard) schreef in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw een toneelstuk over Jona onder de titel De duif en het ei.

In de inleiding verklaart Van der Graf de strekking van zijn stuk: "Dit spel over Jona is niets dan een fantasie met de gegevens van het bijbelboek. De naam 'Jona' betekent immers 'duif' en die vogel is het beeld van den Geest Gods, maar ook van Israëls volksbestaan als beminde van Jahweh. [...] Maar nu vlucht Jona weg van de Stem naar het onbewuste, en de duif raakt in de Hades, de vogel komt in de vis terecht, dat is de Geest in zijn schulp gekropen; de profetie verschrompeld; het einde van Israël! Maar Jona komt weer aan land, hij wordt als het ware opnieuw geboren, hij wordt wedergeboren. In het Nieuwe Testament wordt Jona-de-profeet, de duif uit het ei, een beeld van de opstanding, van den Messias met Pasen."

Het stuk begint - heel terloops - in het heden, maar zodra Jona het toneel opkomt beginnen de aanvankelijke spelers, een caissière, een toneelknecht en een dominee, elkaar te herkennen als historische personages: de zeegodin, de kapitein en de koning van Nineve.

Kapitein
Ik heb meneer nog overboord gegooid.

Jona
Ik zag het niet direct

Kapitein
                           U bent verstrooid,
altijd geweest. Ik zie me nog aan dek.
Het schip steigerde. Iedereen werd gek
van angst. Ik riep: De lading overboord!
Maar het hielp niet, het stormde ongehoord.
En toen heb ik bevolen: Alle hens
bidden, verdomme, om je laatste wens:
Dat je mag blijven leven.

Dominee
                                     En hij sliep,

Kapitein
Als een marmot.

Dominee
                           Hij wist niet dat U riep.

Kapitein
Hij heeft het anders gauw genoeg gemerkt.

Dominee
Het lot viel op hem.

Kapitein
                           Dat is toch wel sterk;
hoe weet....

Dominee
                    U wilde zich van hem ontdoen.
Het is tegen elk maritiem fatsoen
dat men een gast, al was het voor de leus,
als ballast opneemt.

Kapitein
                                     Man, ik had geen keus.

Vanaf dit moment volgt het stuk in grote trekken de bijbelse verhaallijn. Nadat Jona in Nineve zijn boodschap verkondigd heeft, wacht hij met een bazuin in de hand op het naderend oordeel. Uitgeput door de grote hitte begint hij te malen.

Ik ben nog lang niet geoefend genoeg.
Dat is het. Ik ben niet gehard. Ik zwoeg
door het zand. Ik ben de woestijn ontwend.
Mijn voorouders sliepen in een tent
en liepen om Jericho heen in een dag.
Ik kan het niet. Als ik er kans toe zag
dan blies ik zevenmaal op de bazuin
en de muren van Nineveh vielen in puin.
Maar op het aambeeld van mijn hoofd
beukt de zon, beukt de zon met flitsende hamers
en achter mijn voorhoofd, binnenskamers,
heerst weer dezelfde duisternis
als destijds in de buik van de vis.
Daarbuiten woestijn, van binnen hel.
Ik wist het wel, ik wist het wel,
ik heb steeds geweten dat ik het wist.
Gij hebt U in mij, ik in U vergist.
Nu ben ik ten dode toe vermoeid,
met wortel en tak hebt gij uitgeroeid
al de verwachting van Uw knecht,
de eer van Uw Naam en Uw goed recht.
Amen. Amen! God, doe toch wat,
laat mij omkomen met de stad,
stort de muren over mij heen,
stenig mij, laat mij onder steen
sterven, ik sta hier als een dwaas.
God, wat gebeurt er als ik blaas -
haal ik dan stenen op mijn hals
zodat ik zinken zal, zinken als
toen ik door U werd onderschept?
Ik mocht niet verdrinken. Waarom hebt
Ge mij toen niet laten gaan!

In de verrassende epiloog van dit toneelstuk wordt, geïnspireerd door Matteüs 12:39-41, de link tussen Jona en Christus gelegd die Van der Graft in zijn inleiding al aankondigde.

Bibliografische referenties

Guillaume van der Graft, De duif in het ei. Rijmend spel ten dienste van het leketoneel. (Cahiers van het werkcentrum voor leketoneel en creatief spel, deel 13/14), Purmerend: J. Muusses, 1960.

Heeft betrekking op:

Jona 4:2, Matteüs 12:39-41