Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Geld en belasting

Tijdens een feestmaal gaan de aanwezigen boos tekeer tegen een vrouw die Jezus’ hoofd zalft met nardusolie (Mar. 14:3-9; Joh. 12:5). Bij nader inzien is die reactie niet zo heel erg verwonderlijk. Marcus vermeldt dat de nardusolie voor meer dan driehonderd denariën verkocht had kunnen worden. Een denarius is een Romeinse zilveren munt ter grootte van een twee eurocent-stuk, en was ongeveer het dagloon voor een landarbeider. Dat betekent dat de vrouw bijna een heel jaarsalaris over Jezus’ hoofd sprenkelde. Voor hetzelfde bedrag, met Marcus 6:37 in het achterhoofd, hadden 7500 mensen gevoed kunnen.

De Romeinen onderwierpen de gebieden onder hun controle aan een aantal belastingen en ‘accijnzen’ (Rom. 13:6-7). Die accijnzen (op bijvoorbeeld erfenissen en het verhandelen van slaven) werden geïnd door middel van een ingenieus systeem. Om van het gedoe af te zijn verkocht de Romeinse overheid per contract het recht tot het heffen van belasting aan particulieren. Deze ‘belastingboeren’ of ‘tollenaars’ betaalden de Romeinen een flink bedrag uit eigen zak en probeerden daarna, soms zelfs met behulp van politie en soldaten, hun investering terug te verdienen bij de bevolking. Uit het verhaal van Zacheüs (Luc. 19:2-8) blijkt dat het over het algemeen niet bleef bij ‘terugverdienen’, ze probeerden nog een flinke winst te maken ook. De uitzuigpraktijken van de tollenaars (in strijd met de wet van Mozes) maakten hen gehaat bij de bevolking en zij worden dan ook in een adem genoemd met ‘zondaars’ (Mar. 2:13-17).

Heeft betrekking op:

Lucas 19:2-8, Romeinen 13:7, Marcus 14:3-9, Johannes 12:5