Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Gerdien Verschoor - De draad en de vliegende naald

Het Nederlandse romandebuut De draad en de vliegende naald (2011) van Gerdien Verschoor is kunstzinnig gecomponeerd, met beschouwingen, realistische, sprookjesachtige en lyrische passages, dromen en bijzondere beelden. Dezelfde motieven keren steeds op andere manieren terug. Daarbij lopen werkelijkheid en verbeelding vaak in elkaar over, zoals in de magische verteltraditie van Midden-Europese Joodse verhalen.

De titel van het boek is ontleend aan het gedicht 'Leven, leven' van de Russische dichter Arseni Tarkovsky, dat gaat over het leven dat altijd doorgaat alsof er geen dood bestaat ondanks ingrijpende (historische) omstandigheden. De hoofdpersoon in het boek van Verschoor, de bejaarde Joodse Julia Nowak (voorheen Neugeboren), moest voortleven met de last van oorlogservaringen en de Holocaust. Ze vond geen rust, werd als een draad door de vliegende naald van het leven door de wereld getrokken, en probeerde te overleven door te vergeten.

Het verhaal begint op een warme nacht in juni 2007 in Warschau. Julia woont inmiddels al zestig jaar in hetzelfde appartement. Haar vijftigjarige zoon Roman is altijd bij haar blijven wonen. In die juninacht schrikt ze op van een harde klap in zijn kamer, en vindt ze haar zoon dood op de grond. Ze besluit de hulpdiensten nog niet in te lichten, en houdt eerst tot in de vroege ochtend een wake bij hem. Roman, journalist en docent cultuurgeschiedenis aan de universiteit van Warschau, had vanaf zijn negende jaar zijn kamer ingericht als museum. Julia haalt alle mappen met papieren, aantekeningen en documenten en de voorwerpen die hij in zijn leven had verzameld, tevoorschijn. Zijn verzamelwoede kwam voort uit nieuwsgierigheid naar het verleden van zijn moeder, waar ze nooit over praatte. Hij wilde dat Joodse verleden leren kennen, en weten wie zijn onbekende vader was.

Die nacht lukt het Julia voor het eerst om pijnlijke herinneringen toe te laten, en de dode Roman te vertellen over zijn vader. In 1939 was Julia samen met haar ouders en haar jongere vierjarige zusje Nina vanuit een Poolse provinciestad gevlucht naar Siberië. Tijdens die vlucht raakte Nina door noodlottige omstandigheden gescheiden van de rest van het gezin. Julia had daar een aandeel in. In Siberië werd haar vader alsnog opgepakt en ze zag hem nooit meer terug. Toen na de oorlog bleek dat het vroegere woonhuis door andere mensen bewoond werd, ging Julia met haar moeder naar Warschau. Daar ontmoette ze haar grote liefde, een Pools-Joodse architect. Maar het bleef bij een eenmalige gezamenlijke nacht, want hij wees haar voorgoed af nadat ze op zijn uitnodiging over geheimen te praten over Nina had verteld.

Met jou in mijn buik zwierf ik door een stad die ik niet meer kon verdragen, (...) ik leed aan een heimwee dat gulziger aan me vrat dan de honger ooit gedaan had, dat me met zijn klauwen bij mijn hals greep en me vasthield boven de zwarte gaten van de stad van waaruit ik de weg nooit meer terug zou kunnen vinden, een heimwee zo groot dat het allang niet meer uitsluitend jouw vader betrof, maar al die anderen die ik had verloren en iedereen die ik in de toekomst nog kwijt zou raken. Dat waren de jaren dat ik als een ondode door de straten van Warschau strompelde, de jaren waarin ik maar één manier kon bedenken om mijn angst voor dat grote gemis te overwinnen, en dat was om ervan te leren houden, om te houden van de leegte en niet van het vulsel, meer te houden van de rafels dan van de gladde stof, meer van de ruimte tussen de woorden dan van de woorden zelf. (p. 105-106)

Julia heeft altijd geleefd met het gevoel dat alles wat ze aanraakt en wat haar dierbaar is, verdwijnt of doodgaat, alsof ze gif aan haar handen heeft. Daarom was het moeilijk voor haar om zich al te gehecht tegenover Roman te tonen. Net als haar moeder probeerde ze alle sporen van een Joodse identiteit uit te wissen uit angst voor nieuwe pijn en vernedering, waartegen ze Roman zoveel mogelijk wilde beschermen. Roman maakte er daarentegen een levensproject van om het Joodse verleden weer tot leven te brengen, door vragen te stellen, te spreken in plaats van te zwijgen en de vele doden een naam en een verhaal te geven.

De atheϊstische Julia noemde de witte lok in zijn donkere haar toch 'de vinger van God'De hand/vinger van God, als teken van uitverkorenheid en bescherming, in de hoop dat het hem goed zou gaan. In een brief aan Roman die Julia vindt, schrijft een vroegere geliefde:

Die vinger van God was je gids, je graadmeter en je leesteken. (...) Het was de vinger van God die ons door de nachten leidde (p. 226-227)

Roman droeg als lotsbestemming met zich mee tot het Joodse uitverkoren volk te behoren. De 'vinger van God' had een negatieve keerzijde. Al op jonge leeftijd werd hij geconfronteerd met antisemitisme. Tijdens een schoolreisje werd in een kerk door de priester het verhaal verteld dat de Joden het bloed van christelijke kinderen gebruikten om hun matzes te bakken. Daarop had de meester aan Roman gevraagd welk kind uit de klas hij zou willen uitkiezen voor de matzes van zijn moeder, en had iedereen hem uitgelachen.
Op latere leeftijd had Roman moeite met relaties. Omdat hij een vader gemist had in zijn jeugd had hij zich nooit tegen iemand kunnen afzetten en om dat in te halen deed hij dat in intieme relaties. Dat werd niet begrepen.
Hij schonk zijn niet-Joodse geliefde een Joodse boekrol met een tekst die begon met Exodus 2:23-25:

schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de slavernij omhoog steeg tot God. En God hoorde hun klacht en God (hier zat een brandgat). Zo zag God de Israëlieten aan en God had bemoeienis met hen. (p. 224)

Deze boekrol zou Roman gevonden hebben op de binnenplaats met vuilnisbakken bij zijn huis, verborgen door mensen die waren gevlucht. Maar hij suggereerde ook tegenover haar dat het een familiestuk was. Hij reciteerde het Hebreeuws voor haar en legde de tekst uit. Door het brandgat was er tekst weggevallen: '(En God) gedacht zijn verbond met Abraham, Isaäk en Jakob'. Het verbond van God met zijn volk uit het verleden lijkt niet meer te worden voortgezet. Nadat de relatie tussen Roman en de vrouw was beëindigd, zei een Joodse conciërge tegen de vroegere geliefde toen hij de boekrol zag:

Deze woorden kennen we uit het hoofd. Maar weet u, in dit huis, nu niemand ze meer uit zal spreken, zullen ze sterven, samen met de gaten in het perkament, de versleten inkt. En daarom moeten ze dezelfde weg gaan als de mensen die gestorven zijn. Als we de boekrol begraven in heilige grond komen de woorden tot rust en blijven ze bewaard voor generaties na ons, na mij. (p. 239)

Toen besefte de vrouw wat er verkeerd was gegaan (p. 239-240):

Ik had je verkeerd gelezen: als een stevig ingebonden boek, beginnend bij de eerste pagina, van linksboven naar rechtsonder, bladzijde na bladzijde omslaand, met een leeslint markerend hoe ver ik al was. Waarom heb ik je nooit vastgepakt als een boekrol, met voorzichtige vingers, of misschien wel met witte handschoenen, alsof je een object was in een museum? Zo had ik je moeten openvouwen en pas dan had ik met lezen moeten beginnen: vanaf het einde, aandachtig terugkerend naar het verleden, mijn vingertoppen zwevend over het weerbarstige papier.

Een van de motto's van de roman is het eerste vers van Psalm 127:

Als de Here het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan:
als de Here de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.  

Tijdens haar nachtelijke wake beluistert Julia een muziekfragment uit het Nisi Dominus van Vivaldi (1668-1741), met Psalm 127:2-3 gezongen door een countertenor: Cum dederit dilectis suis somnum. Ecce haereditas Domini, filii merces, fructus ventris:

Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap.
Zie, zonen zijn een erfdeel des Heren,
een beloning is de vrucht van de schoot.

De vader van Julia was violist en had het Nisi Dominus voor de oorlog tijdens een concert gespeeld. De muziek roept bij Julia een grote droefheid op om de pijn van het leven en het verlies van dierbaren, haar zusje Nina, haar vader, de man die ze wil vergeten, en nu haar zoon.
Psalm 127 wil onder andere duidelijk maken dat mensenwerk op zichzelf niet genoeg is om iets tot stand te brengen, Gods zegen moet erop rusten, en soms kan men het werk beter aan God overlaten. Dit vertrouwen is bij de Joden in het boek geschaad, hoewel niet helemaal afwezig. Maar deze psalm versterkt de melancholie in het boek. In hoeverre is het Julia gelukt om na de oorlog een nieuw leven op te bouwen? Rustte er wel zegen op? Haar zoon is eerder gestorven dan zijzelf, en zij heeft nooit nieuwe, warme relaties kunnen aangaan.

Het boek bestaat uit zeven delen met titels als: 'Aan zijn voeten', 'Aan zijn handen'. Deze structuur is gebaseerd op de cantatecyclus Membra Jesu Nostri van de Lutherse componist Dietrich Buxtehude (1637-1707), passiemuziek met gezongen strofen uit een middeleeuwse mystieke tekst Rhythmica oratio ad unum quodlibet membrorum Christi et a cruce pendetis, die wordt toegeschreven aan de cisterciënzer monnik en dichter Arnulf van Leuven (1200-1250). Dit gedicht is een meditatie bij de ledematen van de gestorven Christus. Buxtehude voegde per deel bijbelteksten toe uit voornamelijk het Oude Testament.

Wie de muziek van Vivaldi en Buxtehude beluistert, zal merken dat die bij het lezen van het boek van Verschoor gaat meeklinken in de leeservaring. De structuur van het boek komt ook terug in een erotische passage waarin Julia het lichaam van de aanstaande vader van Roman observeert. Aan het einde van haar wake is Julia in staat bijbels-Joodse rouwrituelen in acht te nemen en daarmee weer iets van haar Joodse identiteit te erkennen: ze scheurt haar blouse en strooit as op haar hoofd. Rouwen

Bibliografische referenties

Gerdien Verschoor, De draad en de vliegende naald, Amsterdam/Antwerpen: Atlas/Contact, 2011

www.gerdienverschoor.nl

Heeft betrekking op:

Exodus 2:23-25, Psalm 127:1-3