Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

God als echtgenoot

De volken rondom Israël vertelden verhalen van goden die trouwen, vrijen en kinderen verwekken. Dat is een groot verschil met de verhalen uit de bijbel, waarin God nooit enige seksualiteit wordt toegeschreven. En er wordt al helemaal niet gerept van een godin als zijn echtgenote. Maar de bijbel gebruikt soms wel de symboliek van man en vrouw om Gods relatie met zijn volk te beschrijven. Bij de profeten vinden we de huwelijksmetafoor op verschillende manieren uitgewerkt.

In Jesaja 62:5 staat bijvoorbeeld dat God zich verheugt over Jeruzalem ‘zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid’ en in Jeremia 51:5 zegt God dat hij Israël niet zal achterlaten ‘als weduwe’, ook al moet het volk wel boeten voor zijn schuld. Ook de negatieve kant van de symboliek wordt uitgelicht: in een opmerkelijke passage bij dezelfde profeet, verstoot God ‘ontrouw Israël’ en geeft haar een scheidingsbrief mee (3:8).

In Ezechiël 16 vinden we een van de uitvoerigst uitgewerkte voorbeelden van de huwelijksmetafoor. Voornamelijk in de negatieve vorm: het afgoden dienende volk is een ‘hoer’ en de afgoden zijn de ‘minnaars’ met wie ze aan God, haar echtgenoot, overspelig is. Maar Ezechiël begint hoopvol met het ‘huwelijk’ tussen God en Juda: ‘Ik … zag dat je rijp was voor de liefde … Ik zwoer je trouw, ik sloot een verbond met je – spreekt God, de HEER – en je werd de mijne.’ (16:8) Maar al snel blijkt Juda geen trouwe echtgenote te zijn: ‘Je was ontrouw en pleegde overspel met elke voorbijganger, je bood je aan iedereen aan!’ (16:15) Juda gedraagt zich kortom als een ‘hoer’ (16:30, 34-35) en is nog erger dan haar ‘kleine zusje Sodom’ (16:46; vgl. Gen. 18-19). Pas nadat ze gestraft is voor haar overspelige gedrag, zal Gods woede bekoelen en zal hij haar vergeven en opnieuw een verbond met haar sluiten (Ez. 16:38-43).

Jeremia gebruikt dezelfde symboliek om de ontrouw van Gods volk te beklagen: ‘… op elke hoge heuvel, onder elke bladerrijke boom, lag je als een hoer te wachten’ (Jer. 2:20). Net als Ezechiël noemt ook Jeremia de afgoden ‘minnaars’ (Jer. 2:32-33; 3:1).

Het beroemdste voorbeeld van de huwelijksmetafoor is te vinden in het bijbelboek Hosea. Deze profeet krijgt van God zelfs de opdracht om zelf met een overspelige vrouw te trouwen, om zo aan het volk te laten zien dat het land zich schuldig maakt ‘aan overspel door zich van de HEER af te keren’ (Hos. 1:2). Hosea profeteert dat Gods volk de straf voor zijn overspelige gedrag niet zal ontlopen, maar ook dat God zijn bruid uiteindelijk weer zal terug nemen: ‘En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd … Dan, op die dag – spreekt de HEER –, zul je zeggen: “Jij bent mijn man,” en daarbij is geen wanklank meer te horen’ (Hos. 2:17-18).

Zie ook

  • Toon terzijde Hooglied door de eeuwen heen

Heeft betrekking op:

Jeremia 2:2, Jeremia 13:27, Jeremia 3:1, Jeremia 51:5, Jesaja 62:5, Ezechiël 6:9, Ezechiël 16:1, Ezechiël 20:30, Ezechiël 23:1-49, Hosea 1:2