Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Godfried Bomans - De twaalfde koning

Uw moeder kan het niet. Ja, uw grootmoeder kan het niet. Niemand kan u die geschiedenis vertellen, want zij is te lang. Zij begint in oeroude tijden en geschiedt nòg steeds.
Daarom, om haar te onderscheiden van andere geschiedenissen, noemt men haar weleens De Geschiedenis. Uw moeder en uw grootmoeder kunnen u wèl zeggen wie de Man is die haar gemaakt heeft. Daarom noem ik Hem niet. Het is beter dat u Zijn naam van uw moeder hoort dan van mij. Maar in dit verhaal, dat een deel is van De Geschiedenis, zal ik Hem aanduiden met een vreemde naam: de twaalfde koning.
Hij zal slechts even op het eind van deze vertelling voorkomen, gelijk Hij ook slechts dan zal verschijnen als De Geschiedenis geschied is.

Zo begint Godfried Bomans zijn sprookje 'De twaalfde koning'. Het is een van zijn sprookjes met een expliciet christelijke 'boodschap', al dan niet met een knipoog verstrekt. Zo laat Bomans in 'De blote ziel van koning Pim' de overleden koning voor Gods troon verschijnen en ontdekken wat zijn slechtheid met zijn ziel gedaan heeft. In 'De terugkeer' leert een verwende, rijke man een les die een oude priester hem uit zijn bijbel voorleest: 'zo gij niet wordt als deze kleinen, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan' (Matt. 18:2-4). En in 'De adder in het gras'Godfried Bomans - De adder in het gras speelt de schrijver met de antichrist.

Bomans heeft 'De twaalfde koning' naar eigen zeggen geschreven toen hij in de vierde klas van het gymnasium zat. In het televisie-gesprek dat Bomans in 1971 voerde met het orthodox-gereformeerde kamerlid Piet Jongeling, herinnerde deze hem aan dit jeugdwerk. Jongeling was erg gecharmeerd van het sprookje, omdat het voor hem een cruciale waarheid verkondigde: 'een democratie die zich niet bindt aan Gods Woord, en die eigenlijk die hele wet van God maar een lachertje vindt, zo'n democratie houdt het op den duur niet.' Omdat Bomans zich het verhaal niet meer precies herinnerde, gaf Jongeling een samenvatting:

Daar was eens een koning, koning Democratio, de naam is vrij doorzichtig nietwaar, en die regeerde over een land, goed en wijs, en in veel opzichten welwillend. Toen kwam er de grote crisis (dat zal dan wel de economische crisis van voor de oorlog zijn geweest, neem ik aan).
Bomans: 1929, inderdaad.
Jongeling: Ja. En die crisis kon hij niet de baas. En hij liet de knapste geleerden komen en ze schreven boeken en ze studeerden en ze lazen en hij deed alles wat hij maar kon doen. Hij maakte goede en rechtvaardige wetten, maar de crisis week niet. Toen zei hij: 'Een internationale conferentie moeten we hebben.' En hij liet tien koningen bij zich komen en vervolgens gingen ze met zijn elven weer studeren en onderzoeken en commissies vormen en subcommissies en ondercommissies enz. enz. maar... ze kwamen er niet uit. Wat ze ook deden, de crisis bleef. Toen kwam er ten slotte, toen het helemaal misliep, een grote volksoploop. Van alle kanten stroomden de mensen toe die zeiden: 'Wij lijden honger, hoe moet het nou verder?' 'Tja,' zei de koning, 'we doen wat we kunnen. We zijn met zijn elven en we doen al het mogelijke.' En toen riep een stem: 'Hebt u misschien die 12de koning ook uitgenodigd? Nee, dat hebt u niet gedaan! Die 12de koning waar jullie je macht van gekregen hebben en die in Betlehem is geboren, die hebt u vergeten erbij te halen! En dat is de eigenlijke oorzaak!'
Het is eigenlijk een GVP-verhaal. [Jongeling leidde jarenlang de eenmansfractie van het Gereformeerd Politiek Verbond, dat later is opgegaan in de ChristenUnie.] Ik wil graag die stem uit het volk zijn die het ook in de Kamer zegt. Die 12de koning. Dat is eigenlijk de zaak waar het vandaag om gaat. En als we het willen houden, ook in dit land, dan zullen we naar zijn wetten moeten luisteren.

Jongeling legt in zijn weergave van het verhaal overigens wel eigen accenten; hij maakt de boodschap explicieter dan Bomans in zijn sprookje had gedaan. Bij Bomans eindigt het sprookje als volgt:

Toen verhief zich één hoge, woedende stem uit het volk: 'Er is nog een koning, die niet genodigd is!' Vorst Democratio boog zich over de balustrade: 'Wie is dat dan?' vroeg hij spottend. Het was even stil.
Toen riep dezelfde stem: 'Gij elf koningen, elf purperen dwazen, narren van wijsheid en verstand, wie heeft u de kroon gegeven op uw hoofd en het hermelijn om uw schouders?' En de elf koningen zwegen.

Deze eenzame stem had goed gesproken. Wij zullen met elf koningen machteloos zijn, zo de Twaalfde vergeten wordt. Maar, zult ge zeggen, is niet tweeduizend jaar geleden, op Pinkster-zondag, de wereld door elf mannen gered, in één vergadering? En zij waren vissers en hadden niets dan hun eeltige handen? Doch zij vergaten de Koning nooit!

Bibliografische referenties

Godfried Bomans, 'De twaalfde koning' in: Groot Sprookjesboek. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1976 (2e dr.), p. 10-16. Ook de andere genoemde sprookjes zijn in deze verzameling te vinden.

Godfried Bomans, 'Gesprek met P. Jongeling, lid van de Tweede Kamer voor het GPV' in: Gesprekken met bekende Nederlanders. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1972, p. 79-99.

Heeft betrekking op:

Handelingen 2:1-40, Matteüs 18:3