Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Guido Gezelle – Ego Flos

EGO FLOS… Cant. II.1
 
Ik ben een blomme
en bloeie vóór uwe oogen,
geweldig zonnelicht, dat,
eeuwig onontaard, mij,
nietig schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
 
Ik ben een blomme
en doe des morgens open
des avonds toe mijn blad,
om beurtelings, nadien,
wanneer gij, zonne, zult,
heropgestaan, mij nopen,
te ontwaken nog eens of
mijn hoofd den slaap te biên.
 
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn’ hope, mijn geluk
mijn éénigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
 
‘k Ben ver van u,
ofschoon gij, zoete bronne
van al dat leven is
of immer leven doet,
mij naast van al genaakt
en zendt, o lieve zonne,
tot in mijn diepste diep
uw aldoorgaanden gloed.
 
Haalt op, haalt af!...
ontbindt mijne aardsche boeien;
ontwortelt mij, ontdelft
mij…! Henen laat mij, …laat
daar ’t altijd zomer is
en zonnelicht mij spoeien
en daar gij, eeuwige, ééne,
alschoone blomme, staat.
 
Laat alles zijn
voorbij, gedaan, verleden,
dat afscheid tusschen ons
en diepe kloven spant;
laat morgen, avond, al
dat heenmoet, henentreden,
laat uw oneindig licht
mij zien, in ’t Vaderland!
 
Dan zal ik vóór…
o neen, niet vóór uwe oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!

Titels zijn vaak belangrijk bij de interpretatie van een gedicht. Dat blijkt ook uit dit gedicht van Guido Gezelle (1830-1899). Het gedicht wordt aan de lezer gepresenteerd met een Latijns citaat: ‘Ego flos’, uit Canticum Canticorum II, 1, ofwel ‘Ik ben een bloem’, uit het Lied der liederen, Hooglied 2:1.

De tekst waaraan Gezelle de titel ontleende wordt gesproken door de bruid (2:1):

Ik ben een lelie van de Saron, een wilde lelie in het dal.

De bruidegom antwoordt (2:2):

Als een lelie tussen de distels, zo is mijn vriendin tussen de meisjes.

In de oude Joodse interpretatie van het Hooglied werd deze tekst allegorisch uitgelegd. Jahwe was de bruidegom en de bruid was het Joodse volk. De christelijke kerk nam deze verklaringswijze over: de bruidegom was Christus en de Kerk was zijn bruid. Bernardus van Clairvaux legde in de twaalfde eeuw de grondslag voor een vernieuwde Christusbeleving door naast de relatie Christus en de Kerk, de mystieke relatie tussen Christus en de ziel uit te werken. Deze laatste interpretatie lijkt ook in het gedicht van Gezelle aanwezig te zijn. In dat geval kan de “ik” in het gedicht als “ziel” worden opgevat. Opmerkelijk is het ontbreken van de bruidegom in het citaat én in het gedicht: de zon fungeert als partner van de ik die zich vergelijkt met een bloem. Uit andere literatuur blijkt dat het motief van God als de zon en de ziel als een bloem niet onbekend was.

Bibliografische referenties

J.J.M. Westenbroek, 'Ego Flos: op zoek naar de bronnen van Gezelles Hooglied' in: Gezelliana; kroniek van de Gezellestudie, vol. 1, p. 6-37.

Heeft betrekking op:

Hooglied 2:1-2