Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Guus Kuijer - Izebel van Tyrus

Ik ben Izebel van Tyrus, dochter van Itto-Baäl, koning van Tyrus en weduwe van Achab, zoon van Omri, koning van Israël te Samaria.
Ik schrijf deze brief aan u, die een miljoen jaar na mij leeft en zucht onder het juk van Assyrië. Men hoeft geen profeet te zijn om dat te kunnen voorspellen. Ik prijs mij gelukkig dat ik niet heb hoeven buigen voor de beulen uit het noorden. Hun wreedheid kent haar weerga niet, zij zijn de plaag der mensheid.
Ik zit in het bovenvertrek van de poort van Jizreël. Ik weet niet hoeveel tijd mij rest, want ik ga sterven. Mijn moordenaar is in aantocht, maar ik spring uit het venster voordat hij de hand aan mij slaat. Mijn grootste zorg is dat ze zeggen: zij werd geduwd, zij sprong niet uit zichzelf, want ze willen mij elk spoor van dapperheid ontzeggen. Hoe kan een hoer en een heks ook maar een sprankje moed bezitten? (p. 7)

Zo begint de roman Izebel van Tyrus (1988) van Guus Kuijer. In de roman komt de bijbelse geschiedenis van 1 Koningen 17 t/m 2 Koningen 9 aan de orde, maar dan zoals Izebel die heeft beleefd. In afwachting van haar naderende dood blikt ze terug op haar leven. Hoe zij als buitenlandse prinses in Achab de liefde van haar leven vond. Hoe ze zich vanuit haar achtergrond altijd verbaasd heeft over het ontbreken van godsdienstvrijheid in Israël. Ze heeft haar vragen daarover aan hofmaarschalk Obadja voorgelegd:

Er wonen Hebreeën in Israël, maar wonen er niet ook Kanaänieten, Moabieten, Hettieten, die in de verstrooiing leven, Filistijnen, Egyptenaren en Feniciërs, Arameeërs en Edomieten in Israël? Hebben zij niet hun eigen levenswijze en hun eigen goden? Verdienen zij niet de bescherming van de koning?
[Obadja:] De koning van Israël behoort de vreemde goden te bestrijden en zo mogelijk te vernietigen. Als hij niet met wet en daad ingrijpt, speelt hij de heethoofden in de kaart en vallen er doden.
[Izebel:] Is het niet mogelijk dat de god van Israël en de koningin des hemels een goddelijk paar zijn, waardoor hij niet meer zo alleen is en zij bij voorbeeld een zoon kunnen krijgen, die ook god is en die bij voorbeeld sterft en opstaat uit de dood, zoals Baäl doet, waardoor de gewassen weer bloeien en de mensen verlost worden van hun angst voor het graf? Zou Asjera niet de vrouw en de moeder gods kunnen zijn? (p. 28-29)

De Izebel van Guus Kuijer is een intelligente, hartstochtelijke vrouw. Het bekende beeld van een door-en-door verdorven mens, 'een hoer en een heks', is in dit zelfportret niet terug te vinden. Haar grootste tegenstander, de profeet Elia, wordt in deze roman evenmin uit bijbels (lees: 'jahwistisch') oogpunt getekend, maar zoals Izebel hem ziet, als 'het vleesgeworden Gelijk'. En zo worden alle gebeurtenissen uit 1 en 2 Koningen in deze roman 'herzien'. Het Judas-perspectief

In haar terugblik komt behalve bijv. de strijd tussen Elia en de 450 Baälpriesters op de Karmel (1 Kon. 18) ook de kwestie-Nabot (1 Kon. 21) aan de orde. Izebel erkent volmondig dat haar handelwijze inzake Nabot een misdaad was. 'Maar misschien is het goed te zien dat ik een mens ben en geen satan. Misschien is het goed te weten dat ik, die goed was en slecht tegelijk, een gewoon mens dus, een gruwelijke misdaad beging omdat ik de koning te zeer liefhad.' (p. 107) Karakteristiek is de inleiding op de daarop volgende verschijning van de profeet van de HEER (p. 114-115):

U was Elia toch niet vergeten hoop ik? U dacht misschien: die Elia, die is zeker dood, we horen niets meer over hem. Of: misschien zag de profeet in dat Izebel ook maar een mens was, misschien zag hij geen vijand meer in haar.
Ik zal u zeggen: deze gedachten zijn ook door mijn hoofd gegaan. De tweede gedachte was mij nog liever dan de eerste. Hoe ijdel is de hoop! Lach mij niet uit: ik hoopte dat hij ooit voor mij zou verschijnen, zijn hoofd beschaamd zou buigen en zeggen zou: 'Ik heb mij vergist. U heeft uw beste krachten gegeven voor Israël. Gezegend zij uw naam.'
Och nee, u lacht mij niet uit. Waarom zou u? Koestert u niet dagelijks uw ijdele hoop? (...)
Maar ach, stomme koe van Tyrus die ik ben, nu, na de dood van Naboth kwam de profeet natuurlijk plotseling te voorschijn! Hij wierp zich als een verscheurend dier op mijn zonde, dat spreekt vanzelf. Volkomen schaamteloos, alsof hij geen vierhonderdvijftig eerbare en weerloze mannen om zeep had geholpen! Ook dat spreekt vanzelf. Schaamteloos kon hij zijn, want hij moordde in de naam van een god en ik in naam van Achab. Elia heeft gods naam misbruikt, zoals ik Achabs naam misbruikte! Jawel, ik weet het, je kunt hier tot in der eeuwigheid over theologiseren, maar volgens mij is het heel simpel: het plegen van vierhonderdvijftig moorden is een groter zonde dan het plegen van één moord, precies vierhonderdvijftig keer zo groot. Mag de grote zondaar rechter zijn over de kleine?
Elia mocht het, want Elia misbruikte de zegel gods. Alles mag als het in naam van god gebeurt, het Grote Gelijk kent geen zonden.

De lezer krijgt in deze roman tal van ideeën en vragen aangereikt die ook voor de moderne samenleving relevant zijn. Neem bijv. deze kritische woorden van Achab: 'Wat is er toch met de mensen aan de hand, dat zij de goden wreder en dommer willen maken dan zij zijn? Wat mankeert de vromen dat zij hun god koud maken als steen, onwrikbaar, haatdragend en jaloers zoals hun eigen hart? Ik zal het u zeggen.
Zij houden niet van goddelijkheid, zij haten alles wat boven hen verheven is. Daarom maken zij een stenen afgod, die klein is en hard en nimmer tegenspreekt. (...) Zij zeggen: "God is groot", maar zij zijn afgodendienaars die mensen offeren op het kille altaar van hun vroomheid.' (p. 124-125)

Boeiend zijn ook de gedachten die Izebel wijdt aan de zin van het leven, aan geluk en aan troost. 'Er is geloof, liefde en hoop, deze drie: maar de meeste van deze is de hoop.' (p. 169 - vgl. 1 Kor. 13.) Uiteindelijk concludeert ze dat zij zo gehaat en vervloekt is

omdat ik zo hardnekkig liefhad en hoop hield en niet neerzag op genot. Daarom. U weet misschien dat mannen die neerzien op genot, ook altijd neerzien op hun vrouwen, bij wie zij immers hun genot zoeken en soms vinden. Wie neerziet op zijn vrouw ontneemt zich zelf alle hoop en wie zich zelf de hoop ontzegt, vervalt tot haat: hij kan niet leven en niet sterven. Daarom denk ik dat dit mijn ergste zonde was: ik ben een vrouw. (p. 170)

Bibliografische referenties

Guus Kuijer, Izebel van Tyrus. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1988.

Heeft betrekking op:

1 Koningen 16:31, 1 Koningen 21:20, 2 Koningen 9:30-37, Openbaring 2:20