Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

H.J. Schimmel - Een verwelkte knop

In 1862 werd de bundel Sproken en vertellingen van H.J. Schimmel voor het eerst uitgegeven. In deze bundel vinden we twaalf verhalen, waaronder 'Een verwelkte knop', dat zich afspeelt in een Amsterdamse achterbuurt. Het is een treurig verhaal, maar het wordt ook wel met humor gebracht.

'Een verwelkte knop' vertelt het verhaal van Barend, een jongen van een jaar of achttien, ziekelijk en gebocheld, en ook nog verstandelijk gehandicapt. Hij zit werkloos achter de geraniums bij zijn stiefmoeder, de weduwe Chrisjen, die het hele gezin moet runnen. Maar liever dan Barend in een gesticht te laten opsluiten, deelt ze haar armoede met hem en de andere kinderen.

Van der jeugd af was Barend ziekelijk, zoodat hij zelden heeft kunnen gebruik maken van de armenschool; maar de oogenblikken, in de armelijke woning doorgebracht, scheen hij goed besteed te hebben, want lezen kan hij, en goed ook. Hij had het geleerd door in de uren, dat de koorts of de pijn in zijne leden hem ten deele verlaten had, den bijbel door te lezen, welken hij van vader ontvangen had, die het boek van het Bijbelgenootschap voor niets had gekregen (...) Om den gemoedstoestand van den knaap te leeren kennen, verdient het opmerking, dat hij het liefst in Daniël, Ezechiël en de Openbaring van Johannes las. De waereld daarin geopend deed hem de werkelijke om hem heen vergeten; de heerlijkheid, door de profeten geopenbaard, troostte hem in zijne armoede, verzachtte voor hem de verwijten of bittere toespraken zijns vaders in eene knorrige luim: dat hij het brood opat van broeders en zusters zonder er iets voor te doen. (p. 388)

Op een dag komt de heer Vogel op bezoek. Als 'Katechiseermeester en ziekentrooster bij de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente' heeft hij de zorg voor de armen van de kerk in zijn takenpakket.

Mijnheer Vogel had een zonderlinge eigenschap, een, die verre van algemeen is: hij hield van de armen, en op eene andere wijze als de negentiende-eeuwsche filantroop. Hij daalde niet af, zoo als deze het uit Christelijke liefde doet, om op een gegeven oogenblik den buidel van geestelijke gaven en zegeningen, die de filantroop altoos bij zich draagt, te openen, neen, hij leefde, hij voelde met de armen; hij was arm, hij leed gebrek met hen, al bleef hij ook altijd katechizeermeester en ziekentrooster der Gereformeerde gemeente. Van daar, dat hij zoo goed begrepen werd, dat zijn troost zoo veel baatte, dat hij altoos welkom was, al ging de eerbied ook voor hem uit, al zweeg de straatdeun waar hij naderde en werd de psalm ook aangeheven als hij binnenkwam.
'Heeft het goed gesmaakt?' vroeg mijnheer Vogel eigenlijk aan Barend, toen hij gezeten was, maar Chrisjen, die de vraag ook als aan haar gedaan aanmerkte, gaf daarop het andwoord: 'Als er maar éen pan eenmaal 's daags op tafel staat, moet het wel smaken. Jammer maar, dat we nog trek hebben als er niets meer is.'
'Stil, moeder!' viel Vogel in. 'Denk om de kinderen Israëls, die de vleeschpotten in Egypte hadden kunnen bekomen en zich toch tevreden stelden met kwakkelen.' [vgl. Ex. 16:3 en 13]
'Hadden we die dan nog maar,' merkte de weêuw aan, 'het zou ten minste nog vleesch zijn! maar God beter 't....!'
'Gij zult den naam uwes Gods niet ijdelijk gebruiken, vrouw!' merkte Vogel ernstig met verheffing van stem aan. [vgl. Ex. 20:7] Dit werkte zoo als gewoonlijk, en leî het stilzwijgen op. 'Heeft ook Egypte geen zeven magere jaren gekend, en werd er van 's Heeren wege niet in voorzien?' vervolgde Vogel [vgl. Gen. 41:54], die bijzonder ver scheen in dat gedeelte der Heilige Schrift, waarin de naam Egypte voorkwam. Of hij het was, omdat het 't land der Sphynxen, was en hij een ontzachelijken eerbied had voor alles wat naar verborgenheid zweemde en een kinderlijk geloof vorderde? 'Wees niet bezorgd, moeder!' zoo besloot hij zachter, 'de Heere spijst wel de vogelen des hemels, en zoû Hij u vergeten [vgl. Matt. 6:26], u, die een brave moeder zijt voor uwe kinderen, een trouwe verzorgster ook van dezen knaap?' (p. 391)

De heer Vogel heeft het werkelijk te doen met de moeder en haar ongelukkige zoon;

hij had innig medelijden met den armen knaap, dien hij nu eens voor heel wijs, dan weder voor heel gek hield, totdat hij geëindigd was met het eerste als een bewijs te meer voor het laatste te houden.
'Zalig zijn de armen van geest!' fluisterde Vogel plechtig. [vgl. Matt. 5:3] 'Barend, jongen, wees te vreden in je lot! God, de Heer weet, wat ge behoeft...'
'Zou Hij dát weten?' vroeg de jonkman met ongewonen hartstocht, den arm van Vogel grijpende. 'En u noemt Hem barmhartig.... Neen, neen!' Hij verborg zich het gelaat in de beide handen.
Vogel meende een godslasteraar te hooren.
'Heere, vergeef het hem, want hij weet niet wat hij doet!' bad hij stil. [vgl. Luc. 23:34] Chrisjen stond met de handen in de zijden het schouwspel aan te staren. Het was haar aan te zien, dat zij weer vreesde naar de 'diakenie aptheek' te moeten loopen.
'Och, mijnheer!' begon Barend, 'als je wist hoe wonderlijk het mij soms hier is..... Het is of ik een stem in mijn hart hoor, die mij toeroept: leer! leer! Ik zou zoo gaarne leeren en ik kan niet. Dag aan dag heb ik mijn bloempot voor oogen. Ze is verwelkt even als ik..... Als ik leeren kon zouden de luî mij niet meer voor gek aanzien..... Ik zou in staat zijn de vragen te beandwoorden, die ik mij nu te vergeefs doe..... ik zou God kennen.'
'Hoogmoed! dat is duivelsche hoogmoed, kind!' zeide Vogel. 'Ik waarschuw u voor de verlokkingen Satans. In het Eden stond de boom der kennisse. Zijn vrucht werd geplukt en de paradijsbewoners bemerkten toen eerst, dat zij naakt waren.' [vgl. Gen. 3:6-7]
'Ze waren het ook; het was dus goed, dat zij 't bemerkten, mijnheer. Is het niet beter de waarheid te kennen, dan aan logen te gelooven, hoe lief die ons ook zij.'
Vogel zat met open mond. Daarop wist hij niet te andwoorden, want die redeneering stond niet in zijn katechizatie-boekjen.
'Maar dat is.....' verder bracht hij het niet. 'Broeit ge dergelijke grondstellingen uit? Ik begrijp dat ge u rampzalig gevoelen moet. Zoek naar waarheid en u zal licht gegeven worden.' [vgl. Joh. 3:21]
'Licht? Waarin, mijnheer? Wist ik maar, wat ik zocht! Het schemert mij in de oogen..... Zie mijnheer! u hebt mij gezegd, dat God daarboven woont, boven die blauwe lucht....! Ik staar, ik staar, en ik kan niet eens die blauwe lucht te zien krijgen, want de huizen van de overzijde beletten het mij..... Zoo gaat het mij in alles....!'
'Lees in 's Heeren Woord,' hernam Vogel hoog ernstig. 'Laten wij samen lezen,' vervolgde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben.
'Ik heb het boek uit,' klonk het ten andwoord. 'Het is een mooi boek; ik heb er in leeren lezen, maar wat ik zocht heb ik toch nooit gevonden...' zeide hij zacht. 'Leen mij boeken, die van die blauwe lucht vertellen, die spreken van hetgeen ik zie en onderzoeken kan.'
Hij waagde eindelijk de vraag, die hem reeds zoo dikwerf op de lippen had gespeeld.
'Dus gelooft ge niet dat wat in Gods Woord staat, van eeuwigheid tot eeuwigheid waarheid is? Zalig zijn die niet zien en nochtans gelooven. [vgl. Joh. 20:29] Barend, met zulke grondstellingen kan ik je niet bekwaam maken tot je belijdenis, waar je moeder, die eene Christelijke weduwe is, zoo op staat. Bid God om kracht om niets anders te gelooven, dan wat in Zijn heilig Woord beschreven staat; bid Hem om versterking van uw lichaam, opdat ge spoedig weêr handenwerk mocht vinden en brood verdienen. Dat zal afleiding geven en kan hem alleen nog redden, moeder!' fluisterde hij deze toe, op Barend wijzende. (p. 391-392)

Ondanks al Vogels goede bedoelingen heeft Schimmel geen kans gezien de geschiedenis van Barend een happy ending te geven.

Bibliografische referenties

H.J. Schimmel, 'Een verwelkte knop' in: Romantische werken dl. I, Arnhem/Nijmegen: Gebr. Cohen, [z.j.], p. 386-398. [Het volledige verhaal is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Exodus 16:3, Exodus 20:7, Genesis 3:6-7, Genesis 41:54, Matteüs 5:3, Matteüs 6:26, Lucas 23:34, Johannes 3:21, Johannes 20:29