Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Hadewijch - Marialied

Het 29e lied uit de Strofische gedichten van Hadewijch is te lezen als een lofzang op de ware liefde. Hadewijch was een ontwikkelde vrouw, die in de 13e eeuw waarschijnlijk deel uitmaakte van een religieuze vrouwengemeenschap, in de omgeving van Brussel. In deze setting heeft 'ware liefde' een zuiver religieuze betekenis: Hadewijch uit in haar liefdespoëzie een hartstochtelijk verlangen naar mystieke eenwording met God.

Dit lied telt twaalf strofen van 10 regels; de laatste strofe wordt gevolgd door een vierregelig refrein. Het hele lied draait om Maria, die door haar ootmoedige houding de ware liefde uit Gods schoot heeft kunnen ontvangen. Dankzij haar is Gods liefde, in de gedaante van zijn zoon, aan de wereld geschonken, als kracht tot verlossing van de mensheid. Deze vereenzelviging van 'die minne' met Christus staat heel dicht bij de gedachten uit de eerste brief van Johannes.
Vóór Maria hadden de profeten al wel 'scone behete' (mooie beloften) gesproken over die liefde en die verlossing, maar geen van hen had zichzelf voor de liefde kunnen wegcijferen als Maria, die sprak: 'Mij geschiede naar uw woord' (Luc. 1:38).

In de strofen die hieronder worden geciteerd (strofe 4-8), noemt Hadewijch in het rijtje profeten ook Mozes, Salomo, Job en Tobias. Bij Mozes zal ze misschien gedacht hebben aan zijn 'profetie' in Deut. 18:15 (vgl. Hand. 3:22). Salomo dankt zijn plaats waarschijnlijk aan zijn lofzang op de liefde: Hooglied. Job heeft zijn verlosser bezongen (19:25), en Tobias mag er met zijn danklied (Tob. 13) ook zijn.
In een volgende strofe wordt David nog opgevoerd, waarbij 'zijn' psalm 77 wordt aangehaald. Maar ook David moest het in zijn liefde voor God afleggen tegen Maria, 'die God geheel ontvangen mocht, God en Mensch. Aan Haar kon men voor 't eerst het klare werk der Liefde kennen.' (Van Mierlo)

(...)

Wat so ons god ye onste,
En wardt nieman, die conste
Gherechte minne verstaen,
Eer dat maria, die goede,
Met diepen oetmoede,
Die minne hadde ghevaen.
Tierst was si wilt, doen wardt si tam:
Si gaf ons vore den leeu een lam;
Si maecte die deemsterheit claer,
Die hadde gheweest doncker wel menich jaer.

Die vader van anebeghinne
Hadde sinen sone, die minne,
Verborghen in sinen scoet,
Eerne ons maria,
Met diepen oetmoede ja,
Verholentlike ontsloet.
Doen vloeide die berch ten diepen dale,
Dat dal vloyde even hoghe der sale.
Doen wardt die casteel verwonnen,
Daer langhe strijt was an begonnen.

Ons dede elc prophete
Te voren scone behete:
Dat hi rike ware ende scone
Die ons soude brenghen vrede
Van minnen, ende mechtich mede.
Moyses met Salamoene
Prijsden alle sine cracht besondere,
Sine wijsheit ende sine wondere.
Tobyas, ysayas, daniel,
Job, Jheremias, ezechiel.

Si saghen visioene;
Si spraken parabilen scone:
Wat ons god noch soude doen.
Mar, na minen sinne,
Die clare, vrie minne
Bleef van hen al ongheploen.
Want si hadden hare seden alse andere man
Nu hier, nu daer, nu af, nu an;
Maer maria en sprac el niet
Dan: 'mi werde dat god versiet.'

David seide: hem ghedachte
Van gode, het dede hem sachte
Ende hem ghebrac sijn gheest.
Nochtan hetet hi van werke starc;
Maer maria wrachte sterkere werc.
Ja hi hads wale meest,
Sonder maria, diene gheheel ontfinc:
God ende man ende jonghelijnc.
Daer mochtemen der minnen
Ierst clare werc bekinnen.

(...)

In 2010 heeft dichter-vertaler Jan Kuijper een herdichting van Hadewijchs 45 mystieke liefdesliederen gepubliceerd. In een interview met Trouw zegt Kuijper: 'Ik vind de hele bundel prachtig. Voor mij is dit echt de beste dichtbundel die ooit in het Nederlands is verschenen. Of, nou ja, in ieder geval hoort die tot de top vijf. Het is de minst bleke.'

Bibliografische referenties

Hadewijch, Strofische gedichten (2 dln.; ed. J. van Mierlo). Antwerpen/Brussel/Gent/Leuven: Standaard-Boekhandel, z.j. (1942). Het hier besproken Marialied is in zijn geheel te lezen in de DBNL, met het commentaar van J. van Mierlo; uiteraard zijn ook de andere strofische gedichten daar te vinden.

Hadewijch, Liefdesliederen, in een nieuwe vertaling van Jan Kuijper. Amsterdam: Athenaeum, 2010. (Perpetuareeks, nr. 33)

Liefdesgedichten, maar dan anders in: Trouw, 16 juni 2010.

Heeft betrekking op:

1 Johannes 4:7-16, Lucas 1:38, Psalm 77:4, Deuteronomium 18:15, Job 19:25