Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Hafid Bouazza - Salomon

De roman Salomon (2001) van Hafid Bouazza is door critici gekraakt als 'een ondoorkomelijke warboel', 'een ontspoord boekwerk', maar werd ook voor de longlist van de AKO-Literatuurprijs 2002 geselecteerd. De lezer krijgt een waterval aan beelden over zich heen, in een taal die wel als 'extreem barok' is gekarakteriseerd; de roman is zelfs vergeleken met een opiumtrip.

Het boek heeft een motto dat ontleend is aan 1 Kon. 10:22: '... eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen en pauwen.' Koning Salomo, naar wiens rijkdom deze tekst verwijst, komt een paar keer voorbij in de beeldspraak van de roman. Het gaat dan over 'het glazen paleis dat Salomon voor de koningin van Sheba bouwde om te ontdekken of haar scheenbenen, zoals de geruchten gingen, werkelijk behaard waren als de poten van een bok: toen zij het iriserende gebouw betrad, tilde zij haar rokken op in de waan dat zij door water waadde' (p. 147).

In het tweede deel van de roman ontmoet Kai, die tegenover Artis woont, een meisje in het park. De erotische spanning tussen beiden wordt in een sensitivistische beeldtaal beschreven. Had de auteur het aan Salomo toegeschreven boek Hooglied in gedachten toen hij deze passages schreef?

In door struiken afgesloten grasvelden weefden takken en bladeren zich tot een palankijn aaneen, stikten de naden met schichten en het was niet vreemd dat jij toen uit de halfschaduw naar voren stapte, in dit doorschijnende goudlaken verrees. Tussen het gewei van de struiken en de bokkenpoten die zich in de struwelen roerden, onder de lauwerkransen van laaghangende takken en de bottende horens van doorntakken doemden je ledematen op, nog lenteblank, geen zomertint voor jou, maar het broket van zonnespikkels op de grond groeide plotseling op, stootte door en vertakte zich om je voeten en scheenbenen te sandalen. Onder je korte zomerjurkje werden tijdens het passeren van een bries even de vijgpaarse schaduwen op de binnenkant van je dijen zichtbaar toen hij naar je opkeek en goudstof uit je groene ogen op zijn violetglanzende bril viel. Geen enkel ander schouwspel heeft dat gulden stuifmeel sindsdien weg kunnen wassen. Het drong binnen als saffraan in de vingertoppen en als hallucinogeen gif sijpelde het in de bloedbaan. (...)

Zelfs in de omluisterende stralen was er geen dons op haar ledematen te bespeuren. Ze waren volkomen glad alsof ze net de baarmoeder hadden verlaten. Zelfs het profiel van haar gezicht had geen nesthaar, zoals hij zag toen zij met een glimlach van haar donkere, vlezige lippen die zich kamperfoeliegewijs om haar witte tanden heen slingerden naast hem ging zitten. Salomon had niet voor haar zijn glazen paleis gebouwd. Haar jurkje gleed van haar schoot af toen zij haar knieën optrok. De nagels van haar vingers en tenen waren hazelbruin gelakt, hun glazuur vertoonde hetzelfde craquelé dat zich in zijn hart begon te vormen. (...)

Haar haar werd grasgroen tegen het lover, meloenrood was haar tandvlees en haar tongpunt glom als een kers. Mijn hart, waarheen leidde de kleur van haar tong? Denk niet aan het rococo-ornament, aan het zachte reliëf, de tedere festoenen van vlees, gladder maar even donkergekleurd als een perzik, glanzend de ingang als een gepelde nectarine ... (enz. enz.) (p. 150-151, 153, 162)

Niet alleen Kai is weg van dit meisje, 'het park was verliefd op haar, op dit wonderwerkje van beschaving en evolutie'. Andere meisjes die zich op dat moment ook in het park bevinden, zijn niet meer dan getuigen. 'Alleen zij zagen het tapijt van Salomon dat op die dag in het park uit Tharsis was neergestreken met diens hele hofhouding.' (p. 164)

Bibliografische referenties

Hafid Bouazza, Salomon. Amsterdam: Prometheus, 2001.

Heeft betrekking op:

1 Koningen 10:22