Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Hein de Bruin - Job

De recensent van Paulus in EfezeHein de Bruin - Paulus in Efeze begint zijn bespreking (in De Nederlander, 4 januari 1947) als volgt:

Na de bevrijding verscheen van Hein de Bruin een herdichting van 't bijbelboek Job, welk werk reeds in 1943 voltooid was. In dit dichtwerk kwam reeds naar voren een zekere dramatische spanning, zodat we met grote interesse wachtten op het schouwspel Paulus dat de schrijver onderhanden had. In Job was te bespeuren een bepaalde reactie op het leed der oorlogsjaren. Het was als 't ware de uitbeelding van de verstoring van 't rustige, 't vertrouwde, 't omwalde. Job wordt uitgesloten, maar Op de Vaalt is God hem nabij. (...)

Zag deze recensent in Job 'een bepaalde reactie op het leed der oorlogsjaren', voor latere lezers is het verleidelijk om er ook het leed in de persoonlijke geschiedenis van Hein de Bruin in op te merken. De verdenking van 'fout' te zijn in de oorlog, de depressies en de wanhoop, die uiteindelijk leidde tot zelfmoord, minder dan een half jaar na deze recensie. We lezen in een brief van een paar jaar daarvoor:

Alle wilskracht wordt in me bezworen door één die maar in me zegt: neen! te vergeefs! verworpen! Iemand zal de zaak aan 't rollen moeten brengen om me uit deze diepte te helpen. Ik zie geen kans er me zelf uit te trekken. Heeft God mij verlaten? Het kan niet, hoewel al mijn schulden dat zeker wettigen. Hoe begin ik opnieuw? Op 't ogenblik ben ik radicaal aan 't eind en leef in de toestand van de huichelaar, de man die doet alsof. Vanavond vier ik met mijn gezin St. Nicolaas - alsof. Ik kan niet, ik bedenk de gekste uitkomsten, allemaal gesloten deuren - of een donkere uitgang naar....

Het dichtwerk Job bestaat uit vier delen: 'Opspraak', het tweedelige 'Woorden op de vaalt' en 'Hemelwak'. De delen zijn opgebouwd uit heel verschillende gedichten: alleenspraken, dialogen, spreuken, epische gedichten, sonnetten. In het eerste deel wordt Job 1-2 behandeld, de 'Woorden op de vaalt' volgen hoofdstuk 3-31 op de voet, en in het slotdeel komt Job 32-42 aan de orde.
Een paar fragmenten uit Elifaz' Vermaning (vgl. Job 4-5), Het verzet (door Job, vgl. hoofdstuk 6-7) en enkele spreuken (door Bildad, vgl. Job 8).

Elifaz: (...)
Hoe dikwijls boogt gij slappe knieën recht
en riept ge andren toe om niet te mokken,
doch niet zodra gaat het Uzelven slecht,
daar zijt ge wankelmoedig en verschrokken.
Nu zeg ik dit: - hoewel ge zulks al weet -,
Godvrezenden zijn vrij van al die plagen;
ge merkt het toch: waar schuld is daar is leed,
de boze mens vergaat, dat ziet men alle dagen. -
(...)
Voorts dit: alleen gejammer helpt geen zier,
wie denkt ge rondom heen dat U zal horen
en ingaan op Uw redeloos getier -:
spreek voegzaam en verstandig voor Góds oren.
De Heer doet wonderdaden, Hij alleen,
Hij richt de moeden op die zijn bezweken,
Hij troost de treurigen in hun gesteen,
doch listigen verstrikt Hij in hun streken,
gelijk de wijzen, bij zichzelf geacht
en die van mening zijn dat zij het wisten,
Hij laat ze dazen, dwalen in de nacht
en maakt een feilloos vangnet uit hun listen.
(...)
Daarom, mijn vrind, dank God voor deze plaag,
beluister wat Hij U ermee wou zeggen:
zie, Hij beproeft en pijnigt U vandaag
en morgen komt Hij er zijn zalf op leggen.
(...)

Job, tot God zich wendend:
Mijn keel is rauw, de stem bedekt,
de lendenscheut die mij doortrekt
beroert de gal en perst vergif
tussen mijn ribben en mijn rif.

O God verklaar - houd ik het uit -
wat deze foltering beduidt:
reeds in de moordkuil van mijn bed
hadt Gij Uw klem op mij gezet.

Wat zoekt Ge mij, ontbonden mens,
mijn lijf is uitgeput en lens -
betoom Uw jacht, weerhoud het schot,
Uw prooi is beurs en dra verrot.......

Waarom?

Bildad:
De zucht, de klaagtoon, het geraas
bezielt de stormwind en den dwaas.

Bedaarde wijsheid onderscheidt
God niet van Zijn rechtvaardigheid.

Wanneer een man te gronde gaat
bewijst dat zijn verdorven staat.

Boetvaardigen vergaat het wel,
op de verwoesting volgt herstel.

Die heden leeft heeft niets beweerd,
tenzij hij naar de Vaadren leert.

(...)
[Vgl. Job 8:1-10]

Helemaal aan het eind van de bundel komt 'de nakomeling' aan het woord. Hij zegt: 'Jobs kindren zijn beschroomde theologen' - en laat dat woord rijmen op 'onvermogen'. Verderop noteert hij:

Die van Jobs leven wijsheid mocht ontlenen
vervalt, als hem de nuchterheid ontbreekt,
licht van vervoering in de ironie.......

Laat mij in alle simpelheid besluiten
met u te zeggen hoe het Job verging
nadat hij weergekeerd was van de vaalt
en overal de mare werd verteld:
hij is weer thuis, gezond en wel, hersteld. -
Het ganse dorp liep na de regen buiten,
en Job zat binnen, in een grote kring,
en ieder die kwam groeten werd onthaald.

Nu denkt ge wel, wie zoveel heeft geleden
is allerminst in stemming voor een feest,
en vóór het gastmaal en de volksaanloop
mocht minstens met de vrienden en de vrouw
een nacht volbracht zijn in gebed en rouw -
maar, zeg ik u, als Job niet heeft gebeden,
dan is hij ook de Godsvriend niet geweest
die op zijn hoeve schreef: Nooit Zonder Hoop!

Bibliografische referenties

Hein de Bruin, Job. Baarn: Bosch & Keuning, [z.j.]

Heeft betrekking op:

Job 4:9, Job 5:18, Job 7:21, Job 8:10