Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Hemelse vorsten

In hoofdstuk 10 van het bijbelboek Daniël staat een visioen beschreven. Daniël krijgt bezoek van een engel die hem ‘inzicht’ geeft in wat er in de eindtijd met het Joodse volk gebeuren zal (10:14). Deze engel blijkt niet zomaar uit de hemel neergedaald te zijn. Hij vertelt dat hij 21 dagen lang is ‘tegengehouden’ door ‘de vorst van het Perzische koninkrijk’ en dat hij zijn tocht naar Daniël pas kon voortzetten nadat ‘Michaël, een van de voornaamste vorsten’ hem te hulp geschoten was. Even later wordt ook nog de ‘vorst van Griekenland’ genoemd: de engel die in Daniëls visioen verschijnt, deelt hem mede dat hij spoedig moet terugkeren om achtereenvolgens tegen de vorsten van Perzië en Griekenland strijden (10:20).

De ‘vorst van het Perzische koninkrijk’ (of de ‘vorst van Perzië’ – 10:20) is niet de Perzische koning Cyrus uit 10:1, maar een hemelse vorst of engelvorst, de ‘beschermengel’ van de Perzen. De vorst van Griekenland is de engel die de Grieken beschermt. Michaël is de engel die het Joodse volk bijstaat, zoals blijkt uit vers 21: de engel van Daniëls visioen vertelt dat hij in zijn strijd tegen de vorsten van Perzië en Griekenland alleen bijgestaan wordt door Michaël, die hij, tegenover de Jood Daniël, ‘je vorst Michaël’ noemt (10:20-21; 12:1).

Zowel Michaël als de vorsten van Perzië en Griekenland behartigen de belangen van hun volk of gebied zo goed ze dat kunnen. Met die gedachte in het achterhoofd is het niet verwonderlijk dat de vorst van Perzië de engel van Daniëls visioen wilde tegenhouden: de profetie die hij Daniël komt brengen, voorspelt namelijk de ondergang van het Perzische rijk (Dan. 11:4).

Het idee dat verschillende gebieden op aarde onder bescherming van engelen vallen – of toebehoren aan goden – is het duidelijkst beschreven in Daniël, maar is op wel meer plaatsen terug te vinden. Deuteronomium 4:19 roept bijvoorbeeld het volk van Israël op de HEER te dienen en niet de hemellichamen als goden te vereren; goden die ‘de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd’. Deut. 32:8, in de lezing van de Dodezeerollen en de Septuagint, impliceert dat elk gebied op aarde is toebedeeld aan een engel: toen God land toewees aan elk volk ‘bepaalde hij de grenzen … naar het aantal [zonen van God]’. In het deuterocanonieke boek Wijsheid van Jezus Sirach in hetzelfde idee te vinden: ‘Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde, stelde hij over elk ervan een heerser aan, maar Israël is het bezit van de Heer’ (17:17).

Heeft betrekking op:

Daniël 10:1, Wijsheid van Jezus Sirach 17:17