Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Herman Heijermans – Het zevende gebod

Heijermans' toneelstuk Het zevende gebod (1899) speelt voor het grootste deel in dezelfde omgeving als zijn geruchtmakende roman Kamertjeszonde uit het jaar daarvoor: de Amsterdamse Pijp. De Pijp stond aan het eind van de 19e eeuw bekend als hoerenbuurt. Nogal wat keurig getrouwde heren hadden daar een meisje zitten, een zgn. maintenee, die ze onderhielden in ruil voor seksuele diensten.

Heijermans typeert zijn toneelstuk als 'burgerlijke-zeden komedie in vier bedrijven'. De term 'komedie' kan hier alleen maar ironisch worden geduid. Het stuk is vooral een treurige ontmaskering van de 'burgerlijke zeden': de heersende (christelijke) moraal is hier alleen maar bekrompen, hypocriet en liefdeloos.

Het eerste bedrijf is gesitueerd in de huiskamer van een herenboer in Zeeland, waar we kennismaken met het gezin van Samuel Dobbe. Zijn volwassen dochter Gaaike is een gescheiden vrouw - in die tijd een taboe en een schande, die in haar geval amper bedekt wordt door haar verklaring dat ze door haar man geslagen werd. In werkelijkheid blijkt de aanleiding tot haar scheiding nog gruwelijker te zijn, wat niet wegneemt dat zij in de ogen van anderen gezondigd heeft tegen het zevende gebod ('Gij zult niet echtbreken'). Haar broer Jozef, een jonge pastoor, niet gehinderd door enige ervaring op het terrein van dit gebod, vertegenwoordigt en verdedigt het officiële standpunt van de kerk ten aanzien van de seksuele moraal.

Het derde nog levende kind uit het gezin - drie andere kinderen zijn jong gestorven aan de tering - is het echte probleemgeval. Deze zoon, Peter, komt aan het begin van het stuk over uit Amsterdam, waar hij - zo wordt bij toeval door zijn vader ontdekt - in de Pijp samenwoont met Lotte. Voor Peter is zij de grote, ware liefde, maar volgens zijn vader is zij slechts een 'mintenee'. Er wordt grote druk uitgeoefend op het stel om deze 'onzedelijke' relatie te beëindigen. Peter: 'Onzedelijk? Goddank dat wij, die van elkaar hoùen, ònzedelijk zijn in 'n tijd waarin àl-wat huwelijkszede is - gemeen en laag is.' (p. 86)

Heijermans' 'komedie' toont de klassieke strijd tussen echte, zuivere liefde en trouw enerzijds en de heersende, uiterlijke moraal anderzijds. In de marge van de handeling vinden we diverse voorbeelden van een bedorven en dubbele moraal: hoe Lotte door haar ouders 'verhandeld' is, of hoe vrouwen met een verleden geen toekomst hebben, terwijl mannen zonder problemen kunnen doen wat ze willen ('Informeert één vader naar de avonturen van den mènèer an wien-ie z'n zegen geeft?', p. 53), of hoe vrouwen na gebruik bij het grofvuil worden gezet.

Het derde bedrijf begint met een boeiende discussie tussen Peter en zijn socialistische vriend Bart over huwelijk en vrije liefde. Op een gegeven moment roept Bart: ''t Zevende gebod ligt al eeuwen in de goot!' en hij licht toe (p. 68-71):

Bart.... Gij zult geen overspel bedrijven!.... Ge zult geen.... Wat is 'n huwelijk? Wat is overspel? 'n Huwelijk, dat is - dat is 't vrijwillig tot elkaar komen, 't vrijwillig bij elkaar blijven - anders niets. Wat zie-je! De ééne partij, die heeft geen onderdak - die mòt wel schuilen voor den regen - en als ze dan in gezelschap raakt van een contractant die drinkt, slaat, geslachtelijk op of ziek is, dan kan ze of móét ze onder 't afdak blijven - of ze kan in den regen terug en onzen lieven heer beleefd om 'n parapluie verzoeken. Zoodra je trouwt om belangen, pleeg je overspel - zoodra je om belangen getrouwd blijft, pleeg je overspel. En omdat de omstandigheden òveral die belangen òpdringen, òpdringen, is overspel schering en inslag. 't Huwelijk zit an de eigendommetjes vast. Daarmee ligt 't. Zonder eigendommetjes geen overspel. Wat te bewijzen was.
Peter. Maar beste jongen, zoo verdraai je 'n gebod, dat feitelijk eenvoudig is.
Bart. Ik verdraai niks. De omstandigheden hebben verdraaid.
Peter. Dan zou jouw redeneering evengoed toepasselijk zijn op den tijd, toen de geboden op den berg Sinaï gegeven werden.
Bart. Nee vadertje! Toen hàd je om en om gemeenschappelijk bezit - tòen was er dito erfrecht - toen kenden ze geen wettige en ònwettige kinderen - toen bestonden geen onderdakjes, geen contractanten - toen had je geen "vader onbekend" - toen werden geen vrouwen "verleid" en kinderen in 'n riool verdronken - toen plaatsten ze geen huwelijksadvertenties - toen kenden ze geen stand, geen geld, geen fatsoen, geen bordeelen, geen eer, geen voorbehoedmiddelen, - toen waren er geen annonces, "geen crediet te verleenen aan mijn huisvrouw zoo-en-zoo" - toen bleven ze niet òngetrouwd omdat ze niet te eten hadden voor twéé - toen stonden er in den winter geen vrouwen op straat zooals dié daar [een tippelaarster buiten op straat] - toen miste je de plechtig-plechtige inzegening in kerk of stadhuis van de smerigste, immoreelste, ongezondste paren - toen verkwijnden geen vruchtbare vrouwen op fabrieken - toen beschermden ze geen christelijke tehuizen voor "gevallenen" en hoeren - toen bevorderden ze geen leugenachtig stelsel van Malthus - toen had je geen gevoelige mannenjury's, die hun-éer-wrékende mannen vrijspraken - toen bestond 'r geen noòdzakelijke prostitutie, was de vrouw geen stuk eigendom, béhòèfde 'r geen overspel te zijn, omdat zij en hij - je hoorde te zeggen hij en zij - te bikken, volop te bikken hadden, vrijwillig bij elkaar kwamen, en als zij woúen vrijwillig van elkander gingen.
(...)
Als 'n paar trouwt, ondergaat 't eerst 'n dosis romantiek op 't stadhuis - dan 'n hoeveelheid classicisme in de kerk - en na al die ongewone gebeurtenissen rijdt 't vol poëzie in 'n huurkoets naar de nuchtere werkelijkheid. 't Huwelijk is 'n realistische klem, waaruit niemand ontkomt.

Bibliografische referenties

H. Heijermans, Het zevende gebod. Burgerlijke-zeden Komedie in vier Bedrijven. Amsterdam: S. L. van Looy, 1920 (6e druk).

Mary G. Kemperink, Het Nederlands naturalistisch toneel (1890-1900). Een profielschets. (in DBNL)

Heeft betrekking op:

Exodus 20:14, Deuteronomium 5:18