Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Het begin in de kleinkunst

De eerste hoofdstukken van de bijbel blijken ook voor de Nederlandse kleinkunst een bron te zijn waaruit dankbaar is geput. In deze bloemlezing brengen wij een aantal Genesis-passages uit het lichte genre bijeen.

Paul van Vliet – Spreekbeurt van Thomas Bakker

In een spreekbeurt over ‘de wereld’ begint Paul van Vliet, alias Thomas Bakker, bij het begin: het scheppingsverhaal. Hij vat daarom kort Genesis 1 tot 3 samen. Hij vertelt over de zesdaagse scheppingsarbeid (want op de zevende dag rustte God: Gen. 2:2), over Adam en Eva en de boom van kennis van goed en kwaad (Gen. 3) en belandt uiteindelijk bij de verbanning uit het paradijs (Gen. 3:23-24).

Ik ben Thomas en mijn spreekbeurt gaat over de wereld.

De wereld is door God geschapen.
En de wereld is voor alle mensen.
Dat zegt de Bondsspaarbank.

In den beginne was de wereld woest en ledig.
En God was ook woest omdat het zo ledig was.

En hij vulde de wereld in zes dagen.
Want hij werkte ook op zaterdag.

En toen het klaar was, vond hij het goed.
Want hij was met niks begonnen.

Toen kwamen Adam en Eva uit zijn rib.
En ze aten van de appelboom.
Maar dat mocht niet want die boom was niet van hun.
Dat was de boom van een kennis.

Toen moesten ze weg uit het paradijs.
En een engel wees met een brandend zwaard waar je eruit kon.

(…)

Hans Dorrestijn – Genesis

In vier regels geeft Hans Dorrestijn een draai aan het begin van het boek Genesis. Daar staat te lezen staat dat de aarde nog ‘woest en ledig’ was, toen God begon met zijn scheppingswerk. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft hier overigens 'woest en doods’ (Gen. 1:2).

Het begin was woest en leeg
Tot de schepper inspiratie kreeg.
Hij schiep de mens en zei: ‘Verroest,
Nou is pas alles leeg en woest.’

Drs. P – Nu ben ik geen geschoolde atheïst

De woordkunstenaar Drs. P snijdt in het onderstaande gedicht een dilemma aan waarover men zich al eeuwenlang het hoofd gebroken heeft: hoe kan de onvolmaaktheid van de wereld zijn oorsprong vinden in een volmaakte schepper? Een van de oplossingen voor deze paradox was de gedachte dat niet God de wereld geschapen had, maar een mindere, onvolmaakte godheid. Dit soort denkbeelden, die onder de noemer ‘gnostisch’ gevat worden, werden in de eerste eeuwen van de jaartelling door de kerk fel bestreden als ketterij. In zijn gedicht kiest Drs. P eigenlijk voor een oud, ketters antwoord.

Nu ben ik geen geschoolde atheïst
En menig opponent is welbespraakt
Maar wat geen mens bij mij kan wegbetogen:
Als God bestaat, dan is Hij onvolmaakt

God schept. God heerst. Dat wordt ons opgedist
De implicatie dat volmaaktheid raakt
Aan onvolmaaktheid, deugt niet in mijn ogen
Als God bestaat, dan is Hij onvolmaakt

Een Oorzaak ja – alsof ik dat niet wist
Maar een die ons bezoekt, bemint, bewaakt?
Geen logica kan zulk contact gedogen
Als God bestaat, dan is hij onvolmaakt

Het is een mening, geen debating list
En niet bedoeld als voer voor theologen
Als God bestaat, dan is Hij onvolmaakt

Ivo de Wijs – Geloof

Het idee dat God niet alleen door woorden, maar ook door zijn schepping te kennen is, is al in de bijbel aanwezig. Psalm 19 zegt bijvoorbeeld: ‘De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen’ (19:2-5). Ivo de Wijs kent naar eigen zeggen dat soort ‘gelovigheid’ niet meer. Maar hij haalt wel met ‘gepaste piëteit’ een regel van Karel van het Reve aan, waarin iets soortgelijks gezegd wordt.

Hier volgt een oude, wijdverbreide these:
Er moet van de natuur die ons omlijst
Een maker zijn; er is een macht vereist
Die alles schiep, een alziend opperwezen

En elke boom en elke heester prijst
Die kracht op wiens gezag zij zijn verrezen
Uit elke bloem ontstaat een exegese
Die regelrecht de hemelen in wijst

Ik ken het niet meer: die gelovigheid
Al haal ik met gepaste piëteit
Een tekst van Karel van het Reve boven

Die schreef eens: Het is een plausibel feit
Dat wie een rode kool doormidden snijdt
In één tel in een Schepper gaat geloven

Herman van Veen – Geloof niet in God, leef als God

God maakt de mensen omdat hij zijn schepping aan iemand wil laten zien. In deze tekst van Herman van Veen zijn die mensen niet Adam en Eva, zoals de lezer misschien zou verwachten (Gen. 2:4-3:24). Misschien grijpt Van Veen terug op de veel kortere passage over de schepping van de mens in Genesis 1. Daar zegt God (Gen. 1:26-28): ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken …' Hij zegende hen en zei tegen hen: 'Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde …’

God heeft waarschijnlijk lang
aan de wereld gewerkt,
vooral het schilderen van al
die blaadjes viel hem ongelooflijk tegen.
Om over het insteken van de naalden
aan de dennen en de sparren
maar niet te spreken.

God gebruikte toen voor ’t eerst
de term ‘mieren-neuken’.

Het schuiven van de bergen
was geen werk in vergelijking met
het naast elkaar leggen
van zandkorrels.

Toen God dan eindelijk klaar was,
wilde hij zijn schepping
aan iemand anders
laten zien
maar omdat er niemand was
maakte hij zichzelf na
in een andere kleur.

Een in het zwart
een in het wit
een in het rood
een in het geel.
Wist God veel.

Hij liet zijn wereld aan de anderen zien
en toen ze na een lange reis
met rode konen terugkwamen
zei God:
‘Wel, jullie hebben de wereld nu gezien,
ieder mag er een deel van uitkiezen.
En, zwarte mens, welk deel kies jij?’
‘Ik kies dat met het oerwoud
met al die bonte vogels
die schitterende meren
en het zand.’
‘Afrika,’ zei God.
‘En, gele mens, welk deel kies jij?’
‘Ik kies dat met die paarden
met die vlaktes
de rivieren en de rijstvelden.’
‘Azië,’ zei God.
‘En jij, rode mens?’
‘Dat geweldige
met die bisons
en de Coca Cola’s.’
‘Amerika, zeer goed.
En, witte mens, welk deel kies jij?’
‘Geeft u mij maar de adressen
van die zwarte
die gele
en die rooie.’

Herman van Veen – Guust Flater

Jezus als schepper van hemel en aarde, dat klinkt misschien raar. Toch werd Jezus al heel snel met de schepping van de wereld in verband gebracht. De proloog van het evangelie volgens Johannes, bijvoorbeeld, voert Jezus Christus op als het Woord, dat al bestond voordat de wereld geschapen was, en waardoor alles ontstaan is (Joh. 1:1-3). Herman van Veen zet in zijn beschrijving van een ontmoeting met Jezus (die overigens in het geheel niet lijkt op de almachtige, transcendente schepper uit Genesis) nog iets anders recht: niet Adam, maar Eva is het eerst geschapen.

Om een uur of twee ’s nachts
kwam Jezus bij ons aan de deur
– Goedenavond, ik ben Jezus –
een jongeman van ongeveer
zesentwintig,
op sandalen,
broodmager,
met lange haren,
grijsblauwe ogen,
een gebit als een fietsenrek,
zwarte nagels
en erg stoned.
We keken samen twintig minuten
naar de hemel,
hij liet me begrijpen
wat hij allemaal gemaakt had,
de maan, de sterren, de wolken,
beschreef me de gezichten
en de landschappen
die daar hoog boven
aan ons voorbij trokken.
Uit zijn broekzak friemelde hij
een foldertje waarop een meisje
met frisgewassen haren
een shampoo stond te bewijzen.
Had ie ook gemaakt,
haar mond, haar ogen, haar neus, alles,
ons huis,
de fiets,
de vuilniszakken,
mij.
Iedereen had ie gemaakt,
hij vond dat leuk werk.
Ook vertelde hij me
dat hij eerst Eva geschapen had,
dat ik me geen zorgen moest maken
over de toekomst,
dat hij alles in orde zou brengen,
hij was immers net terug
daarvandaan.
Hij wees naar ongeveer
de Grote Beer.
Hij was erg moe
de hele nacht bezig geweest
met het weghalen van bijbels uit de kerken.
Had er strips van Guust Flater
voor in de plaats gelegd.
Had geen huis, woonde nergens,
liep maar wat rond
waarom wist ie niet, eigenlijk.
Ik gaf hem een hand
en de tekst van een liedje
dat ik eens gemaakt had.
Hij las het
en zei
dat hij
het prachtig vond,
dat hij dat
heel leuk had
geschreven.

Nu ik dit herlees
denk ik eigenlijk
aan zoveel christenen
die als ze met je over God praten, gesloten glimlachend
je het gevoel geven dat dat iemand is
met wie ze regelmatig naar FC Utrecht gaan
en dat ik me nog door vele ballotagecommissies
moet worstelen
voor ik goed genoeg ben om in hun bisnisclub te
mogen aanschuiven en dan heel blij moet zijn
als ik ooit een glimp van Gods
schaduw…

Kom nou zeg, ik ken God allang.
God is de kleur van de appel
God is de blos op een wang
God is de pijn in je keel
als je naar het journaal kijkt
God is de wijs van de zee
de geur op de wind
God is het stokoude kind.

Driek van Wissen – In het zweet des aanschijns

Met deze titel refereert Driek van Wissen aan Genesis 3:19. Nadat Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten hebben, worden zij uit het paradijs verbannen. Maar voordat dat gebeurt, krijgen ze hun nieuwe bestaan voorgespiegeld. De vrouw zal met pijn haar kinderen moeten baren en de man zal tussen dorens en distels moeten zwoegen op het land: ‘Zweten zul je voor je brood’ (Gen. 3:16-19).

Tot slot nam God een handvol klei
En werd de eerste mens gekneed.
Toen was de schepping dus gereed
En nam de Heer een dagje vrij.

Voor Adam, die een misstap deed,
Was er helaas geen vrij meer bij.
Er kwam een engel Gods die zei:
‘Verdien je brood maar in het zweet!’

Sindsdien blijft nietsdoen uit den boze,
Hoewel men vaak niet werken mag;
Doch menigeen, die na ontslag

De lediggang graag had verkozen,
Moet in projecten voor werklozen
Nog kleien tot de jongste dag.

Frans Halsema – O wat zonde!

De ‘mini-musical’ O wat zonde! uit 1969, met Frans Halsema als Adam, Adèle Bloemendaal als Eva en Gerard Cox in de rol van zowel Schepper als Slang, parodieert het scheppingsverhaal (Gen. 1:1-3:24). Nagenoeg alle elementen uit de eerste drie hoofdstukken van de bijbel komen aan bod. De mini-musical begint met de schepping van hemel en aarde (Gen. 1:1-2:3), inclusief de boom van kennis van goed en kwaad (Gen. 2:9):

Cox: Ik was aan een creatieve periode toe,
Want dat eeuwig zitten niksen maakte mij zo moe.
Dus ik dacht de eerste dag: het is te donker er zij licht,
Dat is beter bij het scheppen, want dan krijg je overzicht.

Als de schepping afgerond is maakt de Schepper, schijnbaar per ongeluk, de mens (Gen. 2:7), en komt er vervolgens achter dat zij precies op elkaar lijken (Gen. 1:27):

Het was de zesde dag, een uur of twee, ik zat aan de waterkant,
Toen, dat zal ik nooit vergeten, toen liep alles uit de hand.
’t Ging eigenlijk per ongeluk, ik speelde met wat klei,
Toen maakte ik een poppetje, dat leek precies op mij.

Door mijn adem werd het Adam en ik liet me even gaan.
Het begon meteen te leven, al kwam ik er nauwelijks aan.
Ik besefte mijn vergissing, maar toen was het al te laat,
En het eerst waar-ie naar keek, was naar de boom,
de boom van goed en kwaad.

Dan ontdekt de Schepper dat Adam nogal eenzaam is, waarop hij uit diens rib een ‘metgezel’ maakt (Gen. 2:21-23), Eva. Als de eerste twee mensen elkaar voor het eerst ontmoeten, hebben ze het al gauw over de boom waar ze niet van mogen eten (Gen. 2:17):

Bloemendaal: Wat een leuk schepsel. O, die ga ik even snel wakker schudden.
Halsema: Wat zou God nou geven? Wie ben jij?
Bloemendaal: Ik ben Eva.
Halsema: Eva, dat is een hele mooie naam.
Bloemendaal: Ja, en hoe heet jij?
Halsema: Adam.
Bloemendaal: Maar dat is ook wel een mooie naam. (…) Zeg is dat nou allemaal van ons?
Halsema: O, dat is goed dat je er over begint, het is namelijk zo. We mogen overal aankomen, behalve aan die boom daar. Als we daar een appel van plukken zijn we zuur.
Bloemendaal: Zijn ze zuur?
Halsema: Nee, dan zijn we zuur, dan moeten we sterven.
Bloemendaal: Sterven?
Halsema: Ja ik zal doodvallen als ik weet wat het is, maar het schijnt niet leuk te zijn.
(…)

Adam en Eva kunnen het volgens de Schepper een beetje te goed met elkaar vinden. Hij klaagt dat het in de tuin pas rustig wordt rondom een uur of twee. Daarom krijgt hij ‘de pee in op dat stel’ en smeedt een plan. In een vermomming (een slangenpak) verleidt hij Eva en Adam tot het eten van de boom van goed en kwaad. Na die misstap worden er beschuldigende vingers uitgewisseld (vergelijk Gen. 3:11-13) en volgt de verbanning uit het paradijs (Gen. 3:16-23). Die verbanning blijkt uiteindelijk toch een ‘unhappy happy end’ te zijn.

Cox: Ik zei: Adam, jullie zaten aan de boom van goed en kwaad en dat had ik streng verboden.
Halsema: Inderdaad ja, inderdaad, maar Eva hier, die zag een slang en die zei…
Cox: Geen donder mee te maken, ik heb, vaak genoeg, gewaarschuwd, van excuses is geen sprake.
Gij gaat nu mijn paradijs uit, gij hebt mijn sympathie verloren.
En gij zult uw kinderen baren tussen distels en de doornen,
Gij zult zweten, zwoegen, ploeteren voor uw dagelijks brood
En als toppunt van ellende ga je ook nog dood.

Halsema: Nou, dat heb je aardig versierd.
Bloemendaal: Hoe bedoel je?
Halsema: Hoe bedoel je? Jij bent met die appel aan komen dragen, en niet ik.
Bloemendaal: Ach man, je wist niet hoe gauw je een hap moest nemen.
Halsema: Ja, jij bent met die appel aan komen dragen, en je wist verdomd goed dat je ervan af moest blijven.
Bloemendaal: Als jij niet had gezegd dat ik van die boom af moest blijven, had ik er waarschijnlijk nooit aan gezeten.
(…)

Gedrieën: Ook al was het hier voorheen dan paradijselijk,
Je verveelde je afgrijselijk.
Daarom willen wij ons hier niet verontschuldigen,
Maar door ons toedoen kunt u u thans vermenigvuldigen.
De leukste vorm van recreëren die de mens ooit heeft gekend.
Unhappy happy, unhappy happy, unhappy, happy end.

Michel van der Plas – Het eerste concert

In Het eerste concert van Michel van der Plas bemerkt de Schepper, nadat hij de bomen, de planten en de dieren geschapen heeft, dat het nog wel heel stil is:

Alles ademt en doet
Wel precies wat het moet,
Alles leeft wat het kan,
Maar ik hoor er niets van.
Alles is als een lied,
Maar ik merk het niet;
Alles vraagt om geluid
Maar ik hoor geen fluit.

En God keek in het rond
En hij zocht en vond.
Hij knielde bij de beek
en zei zachtjes: spreek
Hoe? vroeg het water
Ruis, zei God, klater.

Zo gaat God zijn hele schepping langs om geluiden te scheppen. Hij laat de vink zingen, de muis piepen, de hommel brommen, de slang sissen:

Toen spreidde God zijn armen uit
En riep: aarde, maak geluid.
En het grote gezang begon
Van al wat zich maar roeren kon (…)

Maar er is één die zich opeens alleen voelt met ‘al die stemmen om hem heen'. Adam ligt in het gras en kan niet meer geloven dat hij koning van de schepping is. En daarom geeft God uiteindelijk de mooiste muziek aan de mens:

Toen trok God een halm uit het gras
En raakte er Adam zachtjes mee aan,
Onder zijn blote voeten,
Zachtjes onder zijn blote voeten.

En Adam lachte,
Ja, Adam lachte
En wist terwijl hij rechtop zat
Dat hij het mooiste geluid op aarde had.

Zie ook

  • Kick van der Veer, Is God thuis? Een bonte verzameling liedjes, conferences en gedichten over God en Zijn (Haar?) wereld. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1998.

Bibliografische referenties

Hans Dorrestijn, ‘Genesis’, in: Positief genieten met Hans Dorrestijn. Amsterdam: Bert Bakker, 1994.

Frans Halsema, ‘O wat zonde!’, in: Met blijdschap geven wij kennis (1969). Dit theaterprogramma van Frans Halsema, Gerard Cox en Adèle Bloemendaal is in 2002 uitgebracht door het Theater Instituut Nederland op de cd Dringende kwesties.

Drs. P, ‘Nu ben ik geen geschoolde atheïst’, in: Weelde & Feestgedruis: de beste gedichten van Drs. P. Amsterdam: Sijthoff, 1986.

Herman van Veen, ‘Geloof niet in God, leef als God’, in: Anne. Baarn: De Fontein, 1991.

Herman van Veen, ‘Guust Flater’, in: Een souvenir. Baarn: De Fontein, 1987.

Paul van Vliet, ‘Spreekbeurt van Thomas Bakker’, in: Ken je dat gevoel? Verhalen. Schoten: Hadewijch, 1985.

Ivo de Wijs, ‘Geloof’, in: Zondagmorgenverzen. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1996.

Driek van Wissen, ‘In het zweet des aanschijns’, in: De volle mep: Gedichten 1978-1987. Amsterdam: Bert Bakker, 1987.

Heeft betrekking op:

Genesis 1:1-3:24, Johannes 1:1-3