Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Het exodusmotief in het Oude Testament

De kern van de religie van het Oude Testament is het verbond tussen God en zijn volk. God sluit zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob, en bezegelt het later door Israël uit de slavernij in Egypte te bevrijden. De speciale band tussen God en zijn volk openbaart zich zo in het verloop van de geschiedenis. God grijpt actief in op aarde en ontvouwt zijn plannen met Israël in de waarneembare gebeurtenissen.

De kern van het verbond wordt tastbaar in de uittocht, en dus vervult de uittocht een centrale plaats in de ontwikkeling van het Oude Testament. Er zijn zo’n 120 verwijzingen naar de uittocht in de boeken van het Oude Testament. Een zin als ‘ik ben de God die jullie uit Egypte heeft geleid’ heeft bijna de status van een epitheton ornans gekregen, een kenmerk of attribuut van God. Deze verwijzingen komen natuurlijk vaak voor in het boek Exodus, gaan verder in Leviticus, Numeri en Deuteronomium en keren terug in de historische boeken. Daarnaast krijgt de uittocht een plaats in profetieën en in poëzie.

Vrijwel altijd staan de verwijzingen in de directe rede van een sprekend personage. De sprekers zijn God zelf en zijn tegenspelers op aarde. Dat kunnen allerlei mensen zijn, maar meestal zijn het belangrijke personen, zoals Mozes, Jozua of andere profeten en priesters. De verwijzing dient altijd een doel: de spreker wil overtuigen, onderwijzen, bevestigen, bekrachtigen, tegenspreken, of berispen en op het geweten werken.

Bekrachtiging van een wet of regel

In Leviticus en Deuteronomium gebruiken Mozes en God de verwijzing naar de uittocht om nieuwe wetten en regels te onderstrepen. Zo staat er in Lev. 11:45 bij een reinheidswet: 'Verontreinig je keel niet met dieren die op de grond rondkruipen. Ik ben de HEER, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie God te zijn. Wees heilig, want ik ben heilig’, en in Lev. 19:36 bij een wet op het zuivere gewicht: ‘Gebruik een zuivere weegschaal met zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid.’ In Num. 15:41 sluit God zijn voorschrift m.b.t. de tsitsit, de verplichte kwastjes aan de kleren, af met: ‘Ik ben de HEER, jullie God, die je uit Egypte heeft weggeleid om jullie God te zijn.’

Richtlijn voor de omgang met de zwakken in de samenleving

Het thema van de uittocht levert het grondplan voor de omgang met zwakkeren in Israël en met vreemdelingen in het bijzonder. Ex. 22:20 stelt: ‘Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte’, en 23:9: ‘Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte.’ Lev. 19:33-34 herhaalt deze regel: ‘Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.’ Vergelijk ook Deut. 5:14-15, waar in verband met de sabbatsrust wordt gezegd: ‘Dat geldt voor u [...] en ook voor de vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde.’

De gekwetste bevrijder

God herinnert ook aan zijn bevrijdingsdaad wanneer hij zich gekrenkt voelt. Hij wil daarmee schuldgevoel en spijt opwekken om zijn volk te dwingen tot terugkeer naar hem. Zie bijv. Rechters 2:1 en Jer. 7:22.
In 1 Samuël willen de Israëlieten graag een koning, net als alle andere volken. Ze willen geen door God gezonden rechters meer. In 1 Sam. 8:7-8 beklaagt God zich hierover bij Samuël: ‘Ze verwerpen juist mij als hun koning. Zo is het altijd gegaan, vanaf de dag dat ik hen uit Egypte heb geleid tot nu toe.’ In 10:18-19 brengt Samuël die boodschap over aan het volk op het moment dat zij ook werkelijk een koning krijgen: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israel: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid. Ik ben het die [...] Maar nu hebben jullie je God verworpen [...]’ In 12:6 en 8 noemt Samuël tot twee maal toe de uittocht uit Egypte en verbindt die met het verwijt dat het volk een koning wil. De uittocht is het bewijs van Gods trouw aan zijn volk, terwijl het feit dat Israël een koning wil, getuigt van ontrouw aan God.

De uittocht in de beleving van bijbelse figuren

Het komt enkele malen voor dat een personage uit het Oude Testament zijn persoonlijke interpretatie van de uittocht onder woorden brengt. In Joz. 2:10 zegt Rachab tegen de verspieders: ‘[...] want we hebben gehoord dat de HEER de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd toen jullie uit Egypte wegtrokken [...]’ Rachab benadrukt de drooggelegde zee. Misschien vindt ze die wel wonderbaarlijker dan de uittocht zelf. In 1 Sam. 15:6 waarschuwt Saul de Kenieten uit Amalek weg te gaan met de woorden: ‘Blijf niet bij de Amalekieten, want dan moet ik u samen met hen uitroeien, terwijl u de Israëlieten tijdens hun uittocht uit Egypte juist goed behandeld hebt’. Saul kent blijkbaar zijn klassieken.

De uittocht als nationaal-historisch betoog

De Israëlieten dreigen de gebeurtenissen uit de tijd van de bevrijding uit Egypte te vergeten naarmate die verder achter hen komen te liggen. Dan worden ze er in het kader van een breder nationaal-historisch betoog weer aan herinnerd. God vertelt via Jozua opnieuw het verhaal van de uittocht: ‘Ik stuurde Mozes en Aaron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters [...]’ (zie Joz. 24:2-13). Jozua drukt de Israëlieten op het hart de HEER te blijven dienen. Zij bevestigen dit met de woorden: ‘Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd’ (24:17).

Een vergelijkbaar betoog vinden we in Nehemia 9:9-20. Hier wordt de geschiedenis van de uittocht samengevat in de woorden van de Levieten Jesua, Kadmiel, Bani, Chasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petachja. Zij vertellen het verhaal tijdens de vernieuwing van het verbond tussen God en Israël na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Ook Ezech. 20:5-12 bevat zo'n nationaal-historische samenvatting. Ezechiël herinnert de oudsten uitgebreid aan de exodus, en contrasteert Gods handelen met de jarenlange ontrouw van het volk. Hier staat het betoog dus in het kader van een beschuldiging.

De uittocht als inspiratiebron voor poëzie

Ten slotte is de uittocht ook inspiratiebron geweest van enkele psalmen. ‘Het lied van de Zee’ in Ex. 15:1-18 is daarvan het meest aansprekende voorbeeld. Maar ook Psalm 114 bejubelt de uittocht uit Egypte. Deze psalm wordt op sederavond gezongen als onderdeel van het hallel, een feestelijke lofzang op God. In de exodusgedichten staat de harmonie tussen God en zijn volk centraal. Ze bezingen het ingrijpen van God op aarde en vieren de wonderbaarlijke daden die hij heeft verricht.

Heeft betrekking op:

Exodus 15:1-18, Exodus 3:12, Exodus 6:6-7, Leviticus 11:45, Leviticus 23:43, Deuteronomium 4:20, Deuteronomium 26:8, Jozua 5:4-5, Rechters 2:1, 2 Samuël 7:6, 1 Koningen 8:16, 1 Koningen 8:9, 1 Koningen 8:51, 1 Koningen 9:9, Jeremia 7:22, Jeremia 2:6, Jesaja 43:16, Haggai 2:5, Hosea 11:1, Hosea 8:13, Wijsheid 10:15, Wijsheid 19:1, Baruch 1:19, Baruch 2:11, Ester Grieks C:9, Micha 6:4, 2 Koningen 17:7, 2 Koningen 17:36, 2 Koningen 21:15, Ezechiël 20:6, Nehemia 9:10