Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Het Judas-perspectief

De pogingen tot eerherstel van Judas die wij dezer dagen beleven, staan niet op zichzelf en hebben een lange voorgeschiedenis. Al in de eerste eeuwen na Christus was er kennelijk een behoefte om naast de ‘officiële lezing’ een andere versie van de feiten de presenteren. Het ‘Evangelie van Judas’ is een vroeg voorbeeld van een gnostische tekst, die net als andere apocriefe teksten kanttekeningen plaatst bij de waarheid van de boeken in de bijbelse canon. De vroege kerkvaders hebben hun handen vol gehad aan het bestrijden van dergelijke ‘ketterijen’. (De rol die Judas speelt in de romanKees Glimmerveen - Judas van Kees Glimmerveen gaat ook terug op zo’n oude ‘ketterij’.)

De lezer van een verhaal – we beperken ons voor het gemak tot dit genre – wordt altijd geconfronteerd met een bepaalde zienswijze, een perspectief dat hem door de schrijver van het verhaal wordt aangereikt. De lezer zal zich doorgaans identificeren met een verhaalfiguur, en wordt ook daarin gestuurd door de verteller. Zeker bij verhalen met een morele lading wordt de lezer vaak zorgvuldig begeleid naar de ‘juiste’ conclusie. Dat er misschien ook een andere kant aan het verhaal kan zitten – zoals de feiten bij bijv. een echtscheiding heel verschillend klinken uit de mond van de ene of de andere ex – blijft onbesproken.

De lezer die in Genesis kennismaakt met Jozef, ziet een portret van een onuitstaanbaar mannetje: het lievelingetje van zijn vader, een vervelende klikspaan, die het blijkens zijn dromen wel erg hoog in de bol heeft (Gen. 37). Maar nadat hij uit de put gehaald is en naar Egypte getransporteerd, rijpt Jozef tot een meester-dromer die met beide benen op de grond staat. Een eerlijke man met een groot hart, een mens met messiaanse trekken. De prachtig vertelde Jozef-cyclus (Gen. 37-50) laat de lezer eigenlijk geen andere ruimte: dit is de ware Jozef, lieveling van God.

Hubert Lampo tekent in zijn roman De belofte aan Rachel Hubert Lampo - De belofte aan Rachel echter een heel ander portret van deze Jozef. De Jozef van Lampo is een griezelige autoritaire heerser, die zijn grote macht misbruikt.

Van verschillende bijbelse figuren wordt in de moderne Nederlandse literatuur een ander gezicht getoond.
Zo is de profeet Elia in de roman Izebel van TyrusGuus Kuijer - Izebel van Tyrus , geschreven door Guus Kuijer, niet de integere boodschapper van de God van Israël, die het verdorven koningspaar Achab en Izebel (1 Kon. 16-19) confronteert met Gods rechtvaardig oordeel. Kuijer presenteert Elia als een fanatieke dweper, een levensgevaarlijke fundamentalist.
Simon Vestdijk biedt in zijn roman De nadagen van Pilatus (1938) aan Pontius Pilatus een tweede leven. Het summier geschetste personage uit de evangeliën wordt hier uitgewerkt tot een complete menselijke persoonlijkheid.
Iets vergelijkbaars gebeurt er met Lazarus in De gehoorzame dodeWillem Brakman - De gehoorzame dode van Willem Brakman.
In Glimmerveens Judas Kees Glimmerveen - Judas wordt niet alleen van Judas een integer mens gemaakt, maar tegelijkertijd – door het perspectief van Judas – van Paulus een zeer onaangename, zelfingenomen drammer.
(Zie in dit verband ook In opstand Alexander Cohen - In opstandvan Alexander Cohen, en het apocriefe Evangelie van de Twaalf, gereconstrueerd door Paul Claes in De Zoon van de PanterPaul Claes - De Zoon van de Panter .)

In bijna al deze literaire voorbeelden blijken de bijbelse ‘good guys’ bij nadere beschouwing veel van hun glans te verliezen, terwijl negatieve personages worden gerehabiliteerd. Dit verschijnsel doet zich vaker voor bij bijbelse koppels. Het oordeel over het duo Saul-David is in de loop der tijd veel minder zwart-wit geworden; zie Saulen David. Ook bij de broers Kaïn en Abel is de keus voor de laatste minder vanzelfsprekend geworden: wie is hier nu eigenlijk het slachtoffer? Bij Jakob en Esau distantiëren velen zich van het Schriftwoord ‘Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat’ (Mal. 1:2-3; Rom. 9:13). Bij veel verhalen van het type ‘Een vader had twee zonen’ blijkt de identificatie problematisch te zijn geworden. Henri Nouwen heeft in Eindelijk thuis (1983) aan de hand van Rembrandts ‘Verloren zoon’ het identificatieprobleem bij de beroemde gelijkenis (Luc. 15) fraai uiteengezet.

Ook bij de lijdensgeschiedenis van Jezus blijkt het zwart-wit-schema voor velen niet meer te voldoen. Zelfs de simpele vraag ‘Barabbas of Jezus?’ (Matt. 27:17) is nu geen gemakkelijke vraag meer.
In de wereldwijde bestseller De Da Vinci Code van Dan Brown wordt gesteld dat de kerk de rol die Maria Magdalena in Jezus’ leven heeft gespeeld opzettelijk heeft verdonkeremaand. De kerk vreesde haar macht en gezag te verliezen als de waarheid over deze vrouw erkend zou worden. Uiteraard wordt het protest van de rooms-katholieke kerk tegen dit boek en de verfilming ervan geïnterpreteerd als een bevestiging van deze theorie. (Het zal geen verbazing wekken dat er ook een gnostisch evangelie van Maria Magdalena bestaat …)
Het beeld van Judas als de enige discipel die zijn verstand nog gebruikt, terwijl de anderen onder aanvoering van Jezus zelf het succes van de nieuwe beweging naar het hoofd is gestegen, is niet nieuw. Behalve bij de genoemde Glimmerveen zien we het bijv. ook bij VestdijkSimon Vestdijk - De grootheid van Judas, en in Jesus Christ Superstar, waar Judas wordt neergezet als integere idealist, die Jezus wel moet overleveren om de schade te beperken – ‘Well done Judas, good old Judas.’ Dat is wel een heel ander verhaal dan we kennen uit Matteüs (26:23-24), al dan niet op de muziek van Bach: 'Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij uitleveren. De Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.'

Bibliografische referenties

Kees Glimmerveen, Judas, Baarn: de Prom, 1991.

Hubert Lampo, De belofte aan Rachel, Amsterdam: Meulenhoff, 1967 (6e druk).

Guus Kuijer, Izebel van Tyrus, Amsterdam: Arbeiderspers, 1988.

Simon Vestdijk, De nadagen van Pilatus, Amsterdam: Arbeiderspers, 1973 (9e druk).

Willem Brakman, De gehoorzame dode, Amsterdam: Querido, 1964.

Simon Vestdijk, 'De grootheid van Judas' in: Essays in duodecimo, Amsterdam: Meulenhoff, 1976 (3e dr.), p. 128-133.

Henri Nouwen, Eindelijk thuis. Gedachten bij Rembrandts 'De terugkeer van de verloren zoon', Arnhem: Terra Lannoo, 2002.

Dan Brown, De Da Vinci Code, Amsterdam: Luitingh, 2003.

Heeft betrekking op:

Matteüs 26:24, Johannes 13:2