Overzicht bijbelboeken

Kunsten > Beeldende kunst

Het leven van Maria

Pieter Pourbus
De verkondiging aan Maria
Dirck Barendsz
Drieluik met taferelen uit het leven van Maria
Dirck Barendsz
Drieluik met taferelen uit het leven van Maria
Dieric Bouts
Vier taferelen uit het leven van Maria

In de evangeliën staan alleen de episodes uit Maria’s leven die direct samenhangen met het leven van Jezus. Al in de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstonden echter verschillende teksten die het verhaal over Maria's uitzonderlijke geboorte en bijzondere dood vertellen, om zo haar status als maagdelijke moeder van God te rechtvaardigen en bevestigen. Met de toenemende verering van Maria als een van de voornaamste heiligen in de Middeleeuwen, ontwikkelde zich ook een omvangrijke beeldtraditie die gebaseerd is op deze tekstbronnen. Vooral de gebeurtenissen voor de geboorte van Jezus en na zijn dood hebben veel aandacht gekregen.

Apocriefe geschriften vertellen de verhalen over Maria’s ouders en haar vroegste jeugd. Anna en Joachim waren lange tijd kinderloos totdat ze onafhankelijk van elkaar een goddelijke boodschap kregen dat hun kind onderweg was. Als Anna en Joachim elkaar bij de Gouden Poort ontmoeten, vallen ze in elkaars armen. Deze ontmoeting wordt veelvuldig in de kunst uitgebeeld. De meestal gesloten poort op de achtergrond wordt ook als symbool voor de onbevlekte ontvangenis van Maria gezien. Anna was weliswaar niet maagdelijk zwanger zoals haar dochter, toch was ook deze zwangerschap bijzonder. Maria werd namelijk geboren zonder door de erfzonde belast te zijn. Vandaar dat ook vaak een link wordt gelegd tussen Eva en Maria: eerstgenoemde bracht de erfzonde in de wereld, de tweede maakte ze ongedaan. In het vervolg zien we vaak de geboorte van Maria uitgebeeld, in tegenstelling tot de geboorte van Jezus in een stal vindt deze echter in een fatsoenlijk huis plaats en de kraamvrouw ligt in bed en wordt verzorgd.

Als dank voor de onverwachte en late zwangerschap had Anna beloofd haar kind voor de tempeldienst af te staan. Op de afbeeldingen die dit moment tonen zien we meestal Anna en Joachim die hun dochter nakijken. Deze loopt zonder om te kijken de trap van de tempel op. In het vervolg wordt Maria getoond als studerend meisje, altijd verdiept in dikke boeken, terwijl daarnaast haar toekomstige echtgenoot wordt gezocht. De hogepriester Zacharias (de vader van Johannes de Doper) heeft van een engel het draaiboek voor de procedure ontvangen. Hij moet alle beschikbare weduwnaars verzamelen (volgens sommige bronnen moeten het afstammelingen van David zijn, ongetrouwd of weduwnaar) en wachten op een wonder. Als Zacharias een gebed heeft uitgesproken, begint de staf van Jozef te bloeien. De andere, jongere kandidaten ontsteken in woede, ballen hun vuisten of breken hun eigen staven over hun knie.

De Transitus beatae Mariae virginis van circa 400 is, samen met enkele nog oudere teksten, de belangrijkste bron voor de gebeurtenissen rondom Maria’s levenseinde. Later werd het verhaal ook opgenomen in de Legenda aurea , die grote invloed op de uitbeelding van de verhalen heeft gehad. Maria’s dood wordt haar aangekondigd door de aartsengel Michaël, die haar een palmtak uit het paradijs brengt. In het vervolg worden alle apostelenJezus' discipelen uit alle windstreken bij elkaar geroepen. Op Tomas na zijn ze allen rond haar sterfbed verzameld. Dan verschijnt Christus uit de hemel om haar ziel mee te nemen, terwijl de apostelen haar lichaam ten grave dragen. Later vindt men ook haar graf leeg. Engelen hadden ook haar lichaam naar het hemelse paradijs vervoerd, waar dat met haar ziel herenigd werd. Een apart verhaal is het ongeloof van Tomas die, net zoals hij de opstanding van Christus niet wilde geloven, ook Maria’s hemelvaart in twijfel trok; hij was er immers niet bij geweest. Om hem alsnog te overtuigen laat Maria vanuit de hemel haar gordel in Tomas schoot vallen.

Bibliografische referenties

Louis Goosen, Van Andreas tot Zacheüs. Thema’s uit het Nieuwe Testament en de apocriefe literatuur in religie en kunsten. Nijmegen, 1992.

Heeft betrekking op:

Matteüs 1:18-25, Lucas 1:26-56