Overzicht bijbelboeken

Letteren > Bijbelvertalingen

Het Nieuwe Testament van Govaert van der Haghen van 1525

Desiderius Erasmus (1467-1536) is in de geschiedenis van de bijbelvertalingen niet weg te denken door zijn Grieks-Latijnse uitgave van het Nieuwe Testament. Hij zou nooit al in 1516 tot uitgave hebben besloten, als zijn Bazelse uitgever Frobe of Frobenius daar bij hem niet op aangedrongen had. Frobenius had vernomen dat in Spanje gewerkt werd aan een bijbeluitgave. Al in 1514 was daar het Griekse Nieuwe Testament klaar. Maar men zou haar pas uitgeven als de hele Bijbel klaar was. De zakenman Frobenius wilde graag eerder dan de Spaanse uitgever met een Grieks Nieuwe Testament op de markt komen.

Speciaal voor dit doel reisde Erasmus uit Engeland naar Bazel. Op 1 maart 1516 verscheen zijn Nieuwe Testament in een grote oplage, die bovendien relatief goedkoop was. De tekst was in 2 kolommen gedrukt, links in het oorspronkelijke Grieks en rechts de Latijnse vertaling van Erasmus. Pas later heeft men begrepen van hoeveel waarde ook de publicatie van de Griekse tekst eigenlijk is. De Duitse Luthervertaling, de Britse King James en de Nederlandse StatenvertalingDe Statenvertaling van 1637 zijn alle schatplichtig aan de uitgave van Erasmus.

Dat Erasmus niet afstandelijk met de bijbel bezig was, moge blijken uit een passage uit het voorwoord van zijn Grieks-Latijnse Nieuwe Testament:

Deze heilige bladzijden laten het levende beeld zien van Zijn Geest. Zij geven u Christus Zelf, sprekend, genezend, stervend, opstaand, de hele Christus in een Woord; zij geven Hem aan u, in een vertrouwelijkheid, die zo dichtbij komt, dat Hij minder zichtbaar zou zijn, wanneer Hij voor uw ogen zou staan.

Uit dit citaat kunnen we afleiden dat hij het van belang achtte dat de bijbel in de volkstaal vertaald zou worden. Dit zag hij echter niet als zijn eigen taak. Erasmus sprak en schreef uitsluitend in de Latijn.

De betekenis van Erasmus als bijbelvertaler voor Nederland komt niet alleen aan het licht in het Delftse Nieuwe Testament van 1524,Het Delftse Nieuwe Testament van 1524 naar Erasmus maar ook in zogenaamde mengvertalingen. Daarin worden twee bestaande vertalingen gecombineerd tot een nieuwe vertaling. Daarvan zijn er verschillende verschenen, die elk het bewijs zijn van het verlangen van het lezerspubliek naar een bijbel in de volkstaal.

De Antwerpse uitgever en boekverkoper Govaert van der Haghen - die huisde “in onser liever vrouwen pant” - was de eerste die zo’n mengvertaling bezorgde in 1525. Ze is een combinatie van de vertaling van Luther en die van Erasmus. Luther had voor zijn vertaling al de uitgave van Erasmus gebruikt. Dus de invloed van Erasmus op deze vertaling was niet gering. De titel zegt dat ze is “ghecorrigeert uuten Latijnschen en griecsschen”. ‘Ghecorrigeert’ betekent hier, dat de Luthervertaling afgewisseld wordt met stukken uit de Delftse Erasmusvertaling van 1524. De uitgave wordt ingeleid door het door Erasmus geschreven “Vermaninge […] aen allen Christen menschen om met grooter neersticheyt dat Evangelium te lesen”.

Over deze uitgave van Govaert van der Haghen is de nodige discussie gevoerd. De korte inhoudsopgaven boven de hoofdstukken bevatten soms gedurfde uitspraken, zoals boven Romeinen 13, dat handelt over het gezag van de overheid. Er staat: “Onder die christenen en is gheen overheyt, maer een iegheliijck wil es anders dienaer wesen ut liefden”. Dat komt erop neer dat het gezag van de overheid hier ontkend wordt.

De vertaler van de Leuvense Bijbel van 1548,De Leuvense bijbel van 1548 Nicolaes van Winghe, had deze aantekeningen op het oog toen hij in de proloog sprak over de “dolinghe der herdoopers” in ketterse Nieuwe Testamenten. De Wederdopers verwerpen immers het overheidsgezag. Het is de vraag of de opmerking bij Romeinen 13 voldoende is om het Nieuwe Testament van Van der Haghen als dopers af te doen, al wijst ze wel in die richting.

Heeft betrekking op:

2 Tessalonicenzen 1:1