Overzicht bijbelboeken

Letteren > Bijbelvertalingen

Het Pericopenboek van 1836

Eeuwenlang heeft de Rooms-Katholieke Kerk het standpunt gehuldigd dat de gewone gelovigen of leken beter geen bijbel konden lezen. Men ging ervan uit dat de bijbel te moeilijk voor hen was en dat het voor hun geloof niet nodig was om er zelf in te lezen. De bijbel was bedoeld voor geestelijken, die de boodschap vervolgens mondeling aan de leken verkondigde.
Een eenvoudige methode om de bijbel uit de handen van de leken te houden, was vast te houden aan de Vulgaat in het Latijn. Vertalingen werden niet toegestaan door de bisschoppen.
De praktijk bleek ook hier sterker dan de leer: geregeld werden vertalingen uitgebracht van de Vulgaat in de moedertaal. Deze vertalingen werden thuis gebruikt en in de kerk. Zo werden tijdens de diensten na de Latijnse liturgische teksten de Nederlandse vertalingen voorgelezen. Die teksten zijn vertalingen van diezelfde Vulgaat, niet van de Griekse en Hebreeuwse grondteksten. "De Vulgaat was zó officieel in de Kerk, die was haast heiliger dan het origineel" (Kees Fens).

Die Nederlandse vertalingen waren afkomstig uit de zogenaamde Pericopenboeken. Dit waren boeken die uitsluitend de vertaling bevatten van bijbelgedeelten die tijdens de mis in het Latijn werden voorgelezen. Op die manier werd het voor de leken mogelijk in hun moedertaal te volgen van wat er in het Latijn werd voorgelezen.

Het Pericopenboek kreeg verschillende andere functies: als gebedenboek voor de gelovigen in de kerk, maar ook als bijbel voor het gezin. Het werd vrij algemeen gebruikt zowel in de zuidelijke als de noordelijke Nederlanden.

Het eerste complete Pericopenboek, dat wil zeggen met gedeelten ('pericopen') uit het Oude en Nieuwe Testament in één band, was een vertaling van M.A. van Steenwijk die werd gepubliceerd rond 1836. De officiële titel luidde: Lessen en Evangeliën, gelijk dezelve door het gansche jaar onder de Heilige Dienst gelezen worden.

Van Steenwijk vertaalde uit de Vulgaat, maar waar hij de tekst niet helder vond, sloeg hij de oorspronkelijke tekst na, zoals BeelenDe vertaling van Beelen uit 1897 20 jaar later ook zou doen. Alfrink, de latere kardinaal, karakteriseerde het Pericopenboek als “een geheel eigen, zelfstandig, oorspronkelijk werk.”

Het meest verspreide Pericopenboek was Lessen en Evangeliën op alle dagen van het jaar, uit het Roomsch Missaal, vertaald door J.C.H. Muré. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1869 en was in 1936 nog steeds in gebruik. De grote verbreiding was een teken van de bruikbaarheid en uitstekende kwaliteit.

Bibliografische referenties

Anneke de Vries, Zuiver en onvervalscht? Diss. Amsterdam VU, 1994.

Heeft betrekking op:

1 Timoteüs 1:1-5