Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Hubert Lampo - De belofte aan Rachel

De Vlaamse auteur Hubert Lampo (1920-2006) schreef De belofte aan Rachel in 1952, met de herinnering aan de Spaanse Burgeroorlog (én de opstelling van het Belgische katholicisme jegens Franco!) en het Hitlerbewind nog vers in het geheugen. In dit verhaal over de bijbelse oudheid reageert Lampo op het nabije verleden; het resultaat is een geëngageerd getuigenis voor de toekomst.

De roman begint en eindigt met Benjamin, de jongste zoon van Jakob en Rachel, twintig jaar na de dood van JozefJozef, de andere zoon uit dat huwelijk. Nu zijn halfbroer Nephtali (Naftali) het levensverhaal van Jozef te boek heeft gesteld, voelt Benjamin zich genoodzaakt het ware verhaal over Jozef op te schrijven. Hij vindt dat Nephtali een 'zoeterig en leugenachtig verhaal' geleverd heeft. Hij voorspelt zelfs dat dit 'heiligenleven' ooit als de geautoriseerde en 'geïnspireerde' versie zal gaan gelden. Daarmee wordt gesuggereerd dat het Nephtali's verhaal is dat nu in het boek Genesis te vinden is (Gen. 37:2-50:26).

Benjamin tekent zijn broer Jozef als een grenzeloos ambitieus mens, voor wie het 'achterlijke' Kanaän met al zijn beperkende tradities en religieuze folklore al snel te klein is. Jozef benadrukt tegenover zijn jongere broer de verschillen met de andere broers: 'Wij hebben niets met ze te maken, het zijn indringers en bedriegers en Jacob, onze vader, is de grootste bedrieger van allemaal. Stinkende bastaards zijn het, die ons de les zullen spellen als de oude er niet meer is en zich toeëigenen, wat uitsluitend ons tweeën, zijn wettige erfgenamen, toekomt.' (p. 22) Vlak voor haar dood laat Rachel Benjamin beloven dat hij altijd over Jozef zal waken, 'wat er ook gebeure en wat hij je ook moge aandoen'. (Vgl. echter Gen. 35:17-18.) Zo wordt het lot van Benjamin levenslang verbonden aan dat van Jozef, als bij een Siamese tweeling. Benjamin sluit de terugblik op hun jonge jaren af met de woorden (p. 26): 'Hij was het dynamische en regelende, soms demonische principe mijner jeugd, welke in die ene naam kan samengevat worden: de naam van Jozef, Jacobs uitverkoren zoon.'

In het vervolg van het verhaal komen we allerlei bekende feiten uit Jozefs leven7. De geschiedenis rond Jozef tegen, maar regelmatig net even anders dan in Genesis. We lezen over Jozefs dromen, over zijn opdracht om de broers in Dotan op te zoeken (hij vindt ze in een bordeel), over de put. In de roman wordt Jozef door Ruben en Benjamin uit de put gehaald, waarna Jozef en Benjamin samen de woestijn in trekken. Uit hun gesprekken komen de verschillen tussen beiden al duidelijk naar voren: Benjamin is een zachtaardige idealist, Jozef is een en al ambitie, dadendrang, heerszucht.

Wanneer ze in Egypte aankomen, is koning Amenhotep IV (Ichnaton) aan de macht, die zijn land in een nieuwe richting wil leiden. Hij wil de oude godsdienst vervangen door het dienen van 'een god van de liefde, een god van het leven en niet van de dood' (p. 55-56), en daarmee ook de moraal verbeteren. Benjamin herkent de messiaanse trekken van deze farao (vgl. p. 82-84), maar Jozef zal in de loop van het verhaal in toenemende mate misbruik maken van de zwakheid van de koning.

Maar eerst krijgen we nog de affaire met de vrouw van Potifar (vgl. Gen. 39), die in de roman vooral van haar kant wordt belicht. Jozef wordt met haar betrapt en belandt in de gevangenis, waar hij dankzij Benjamin weer uit wordt bevrijd. De dromen van de schenker en de bakker (vgl. Gen. 40) en die van de farao (Gen. 41) spelen ook in de roman een rol. Jozef maakt pijlsnel carrière en voert als farao's rechterhand een straffe economische politiek. Tegenstanders laat hij opsluiten in zgn. opvoedingskampen, waar de regel 'bevel is bevel' heerst. Met behulp van leugens, terreur en geweld - hij laat het Zwarte Corps zijn orde handhaven - vestigt Jozef een keihard schrikbewind. Als Benjamin hem hierover aanspreekt, antwoordt Jozef: 'De farao had naast zich een man met praktische zin nodig, één die van aanpakken weet en die wijsgerige dromen of mystieke bespiegelingen in praktische verwezenlijkingen en een bruikbare politieke tactiek omzet. Dat er nu en dan wat dwarsdrijvers moeten worden opgeruimd, speelt geen rol voor het aanschijn der eeuwigheid. De mens is niets, de gemeenschap is alles.' (p. 157)

In de roman is de komst van Jozefs broers en vader naar Egypte van zeer ondergeschikt belang. In een gesprek tussen Benjamin en zijn vader raakt de oude Jakob bijna in vervoering als het over Jozef gaat (p. 177-178):

'Jozef, mijn uitverkoren zoon, mijn kleine ziener, zoals ik hem sedert zijn kindertijd pleeg te noemen. In hem voltrekt zich de hoogste roep van ons bloed. Zoals destijds in mij de Heer der heerscharen gesproken heeft, spreekt hij thans in hem met grenzeloze wijsheid en waar hij gaat, zal het volk hem volgen.' (...) 'Ik weiger te geloven in de ene wijze, die de kudde leidt,' zei ik [Benjamin] hard, haast snauwend. 'Zij die de geschiedenis van ons volk geschreven hebben keken de sterken naar de ogen, de sterken, die nooit anders dan hun eigen ambities gediend hebben. Zo zullen ze ook jou naar de ogen kijken. Maar ze zullen handig moeten zijn opdat ik, Benjamin, de ondankbaarste onder je zonen, er zich niet zou over moeten schamen, wie zijn vader was. Je rijkdom, je aanzien, ze berusten op leugen en bedrog. Niet je wijsheid, doch je handigheid heb ik als kind en jonge knaap honderdmaal horen prijzen, met veel knipoogjes en dingen, die men erbij begrijpen moest, zonder dat ze werden vermeld. Zo is ook Jozefs glorie op leugen en bedrog gevestigd, ofschoon er misschien meer zelfbegoocheling en zelfbedrog bij te pas komt, dan het in jouw goede tijd het geval was.' (...) 'Wat er ook gebeure, Jozef zal steeds mijn broeder blijven. Ik weet het en verzet er mij niet langer tegen. Doch nooit zal ik tot de bewoners van zijn wereld behoren.'

Benjamin neemt steeds scherper afstand van 'de wereld van verdrukking en knevelarij, zoals Jozef, de ziener, zich de ideale samenleving voorstelt'. Na de dood van de farao worden de tegenstellingen verder verscherpt. Aan het eind van het verhaal komen Benjamin en Jozef in een dramatische confrontatie tegenover elkaar te staan. Twintig jaar nadien noteert Benjamin als belangrijkste les van zijn leven (p. 252):

Dat het leven en de eerbied voor de mens het belangrijkst zijn in de wereld, en dat niemand, wie het ook zij, het recht kan inroepen boven dit leven en boven deze mens, hoe schamel ook of hoe verblind, een abstracte leer te stellen, die een van beiden niet ontzien zou.

Bibliografische referenties

Hubert Lampo, De belofte aan Rachel. Amsterdam: Meulenhoff, 1967 (6e druk).

Fernand Auwera, Schrijven of schieten. Interviews. Antwerpen/Utrecht: Standaard Uitgeverij, 1969, p. 256-264. (Interview met Lampo, m.n. over De belofte aan Rachel.) Tekst beschikbaar in de DBNL.

Heeft betrekking op:

Genesis 37:2