Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Hugo Claus - De zwaardvis

Hugo Claus schreef De zwaardvis als boekenweekgeschenk voor 1989. Eigenlijk is De zwaardvis een omgekeerde detective: helemaal aan het eind van het verhaal komt de onthulling van het slachtoffer, terwijl de dader in het tweede hoofdstuk al wordt verhoord. Richard Robion heet hij. In het middelste en het laatste van het dertien hoofdstukken tellende boekje gaat zijn verhoor verder. Dat verhoor is eerder een speurtocht naar het motief van Robion om zijn vrouw Julia dood te slaan dan een gevecht om een bekentenis. Die komt toch wel, weet de commissaris.

Robion is in de nacht van de moord erg uit het lood geslagen doordat hij zijn bazin Sibylle samen met de meester van de dorpsschool Willy Goossens betrapt tijdens een seksscène in de biljartkamer van Sibylles ex. Robion wilde in zijn ongemeen dronken toestand na een kroegentocht niet thuis slapen, maar in de schuur van Sibylle, voor wie hij karweitjes aan het huis verricht. Hij ziet licht branden in de biljartkamer die nacht, en kijkt door het raam naar binnen.

Robion kon zo dronken worden omdat hij die dag 100 franc heeft gekregen van Maarten, Sibylles hooguit tienjarige zoon. In ruil daarvoor maakt Robion een kruis van twee planken voor Maarten, waar de jongen Jezus mee kan spelen. Sinds kort indoctrineert juffrouw Dora Maarten met de leerstellingen van het katholieke geloof, en Maarten is een ijverige leerling. Hij sleept met het kruis door de tuin in een van zijn Jezusfantasieën. Ook brengt juffrouw Dora hem een afkeer van joden bij.

Wanneer zijn moeder hem vertelt dat Jezus een jood was, begint er iets te knagen (p. 42):

‘Jezus was toch ook een jood.’
‘Wat? Nooit van zijn leven!’
‘Geboren uit een joodse moeder voor zover ik weet.’ ...
‘Hahaha,’ doet Maarten. Het klinkt zwak.
‘Maarten, wat was Jezus dan wel volgens jou?’
‘Geen jood.’
‘Maar wat dan wel?’
‘Een Katholiek.’ Nu hij het hardop zegt klinkt het onwaar.
(‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u,’ zei de eland. Maar wat zei hij daarna? Hij zei niet dat hij Katholiek was.)Voorwaar, voorwaar, ik zeg u

Sibylle dwingt Maarten te bekennen wie hem zijn afkeer van joden heeft bijgebracht en Maarten liegt: meester Willy Goossens. Sibylle pakt de fiets en gaat naar de meester toe.
Meester Willy Goossens aanbidt Sibylle in stilte. Hij heeft zijn passie voor haar gesublimeerd door een declamatorium te schrijven voor het cultuurweekend, getiteld ‘Cybele’, naar de godin van de vruchtbaarheid. Als het misverstand over Goossens’ vermeende anti-jodenpraatjes is weggeruimd, vertelt hij Sibylle over zijn declamatorium en de godin Cybele (p. 69):

‘Haar priesters verplichtte zij zichzelf te castreren.’
‘Dat gaat te ver,’ zegt Sibylle Ghyselen.
‘Of rond te lopen verkleed als vrouwen.’
‘Hoe wonderlijk,’ begint zij, haar mond lijkt voller, gezwollen, zij wil over dat wonderlijke vertellen, maar zij stokt.

En dat heeft een reden. Al vroeg in hun huwelijk voelt Sibylles man Gerard zich door haar niet serieus genomen. Nadat zij hem op een nacht, als hij dronken is, in vrouwenkleren heeft gestoken, voelt hij zich tot het uiterste geminacht en scheidt van haar.
Sibylle is nu zo nieuwsgierig naar het declamatorium dat zij diezelfde avond nog naar de generale repetitie wil gaan. Zij geeft eerst Maarten op zijn kop dat hij gelogen heeft over de meester en vertelt hem voor straf niet waar ze die avond naartoe gaat. Maarten pikt dat niet, en gooit suiker in haar benzinetank.
Wanneer meester Willy Goossens na de repetitie de lege auto van Sibylle zomaar op de weg ziet staan, voelt hij zich verplicht bij haar thuis te gaan kijken of alles wel in orde is. En zo komen die twee bij elkaar in de biljartkamer.

Alle personages uit het verhaal zijn wel verzonken in een of andere perversiteit: Richard Robion in zijn alcoholisme; Sibylle in seksueel getinte fantasieën over haar hulpje Irene en door de vernedering van haar man af te doen als een spelletje; meester Willy Goossens door een declamatorium ‘Cybele’ te schrijven dat eigenlijk over Sibylle gaat. Ten slotte is juffrouw Dora niet weinig perfide bezig door nog één zieltje te winnen voor het geloof, voordat ze zal sterven aan de kanker die haar lichaam verteert.
Die ziel is van Maarten. Onschuldig als hij is, doet hij drie dingen die cruciaal zijn voor de moord op Julia. Hij geeft Robion geld zodat hij kan drinken, hij liegt tegen zijn moeder zodat zij naar meester Willy Goossens gaat en over het declamatorium hoort, en hij gooit suiker in haar benzinetank, zodat Goossens bezorgd raakt als hij haar lege wagen ziet staan en op zoek gaat naar Sibylle.

Maarten is in zijn fantasie soms een zwaardvis, de vis die afgebeeld staat op een wandplaat aan de muur van zijn klas. ‘De mooiste, de sterkste, de slimste vis van alle zeeën.’ Ook Jezus, voor wie de vis het symbool is, zwemt in zijn fantasie rond als zwaardvis en maait tollenaars en zondaars neer. Maarten beseft wel dat de zwaardvis slechts een beeld is: ‘Hij is net zomin een echte zwaardvis als Jezus een vis is. Het is een metaalfoor.’ Deze Maarten-zwaardvis-Jezus schept, in zijn onschuld, de omstandigheden die leiden tot de moord.

Bibliografische referenties

Hugo Claus, De zwaardvis. Amsterdam: De Bezige Bij/CPNB, 1989.

Heeft betrekking op:

Marcus 1:17