Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Isaäc da Costa - Ezechiël

Dezelfde Da Costa die o.a. Ezech. 27 bewerkte (zie het terzijde over Het woord tot TyrusIsaäc da Costa - Het woord tot Tyrus), was ook de dichter van het volgende gedicht uit 1852. Het betreft een portret van de profeet Ezechiël en een schets van zijn boodschap, alles gebaseerd op gegevens uit het bijbelboek. Het gedicht was bedoeld voor een bundel over 'Apostelen en profeten'.

Het gedicht opent met het roepingsverhaal; vgl. Ezechiël 1.

Ezechiël

Aan de oevers van een nederigen vliet,
Met stillen gang d' Euphraat in de armen loopend,
Zit eenzaam en verdiept in 't zielsverdriet,
Toch op den God van Isrels toekomst hopend,
Ezechiël, de balling, Buzis zoon.
Ver uit zijn oog, blijft in zijn boezem leven
De Tempelstad, om naar Chaldeeuwsche goôn
't Chaldeeuwsche zwaard reeds eenmaal prijs gegeven,
Weldra op nieuw, om volks- en koningsschuld,
Ter plundering, ter plettering verwezen,
Omdat de maat des grouwels werd vervuld,
In priester en propheet ten top gerezen.

Aan d' oever van den Chebar zit de man,
Op Babylonisch erf van God geheiligd
Ten priester en propheet, en van den ban,
Op Palestina wegende ach! beveiligd
Door 't zout - der vreemdlingschap, waarin hy zucht.

Op eens! zie daar, de heerlijkheid des Heeren
Omschittert hem. De Noorderstreek der lucht
Scheen zich een oogenblik in nacht te keeren!
Een wolk, van vuur bezwangerd en verlicht,
Snelde aan op vleuglen van den storm, - een wagen,
Door wonderwezens, vreemd van aangezicht
En vorm, in 't ruim bewogen en gedragen.
De raadren van dien wagen in zijn vaart
Doordaveren met donderende wieling
De vastigheên des hemels en der aard.
Toch dreigen zy maar brengen geen vernieling.
Het wolkgespan zijgt statig van omhoog;
En ziet! een troon, en op den troon, met vuren
Omvonkeld van saffier en regenboog,
Een man met majesteit omgord. Verduren
Vermocht geen sterflijk oog den gloed en glans,
Die om die lenden speelde, en half bezweken
By d' eersten blik, ontfangt de Ziender thands
Gezichten in den geest, en woorden om te spreken.

Wat volgt is een korte beschrijving van die 'gezichten' en een poëtische samenvatting van de profetieën van Ezechiël. Wij beperken ons hier tot het eerste, waarvoor Da Costa gebruik heeft gemaakt van hoofdstuk 16-18 en 8.

Wat zag hy? zonde en afval van rondsom!
Gods Israël in wedstrijd met de volken,
Wie onrecht, snoodheid, en afgodendom
Godtergender zal staaplen tot de wolken!
Wat zag hy? dan eens Sidon, hoog van macht,
En Tyrus in den rijkdom van haar schoonheid,
Terwijl haar Vorst in volle Cherubspracht
Als in een Eden Gods zich zelf ten toon spreidt; -
Straks Tyrus beide en Sidon in het stof,
Een schriktooneel, een schande en smaad geworden; -
Dan weêr Jerusalem, niet meer een lof
Op aarde, maar een moordkuil van wanorden,
Adonisdienst, en vuile afzichtlijkheên,
Van uur tot uur ten oordeel aangeschreven, -
Geen maagd, geen huisvrouw meer der jonkheid, neen!
Maar overspeleres, van God begeven.

Bibliografische referenties

Isaäc de Costa, 'Ezechiël' in: Da Costa's kompleete dichtwerken III, Haarlem: A.C. Kruseman, 1863, p. 344-352. [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Ezechiël 1:1-28