Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Isaäc da Costa - Wachter! wat is er van den nacht?

De 19e-eeuwse auteur Isaäc da Costa, van oude Portugees-joodse adel, is een leerling van Willem Bilderdijk, met wie hij zich sterk verwant voelt. Kort nadat hij als Jood zich tot het christendom bekeert, publiceert hij zijn brochure Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823), waarin hij de ideeën en de praktijk van de Verlichting karakteriseert als een openlijke oorlogsverklaring aan God. Veel van zijn tijdgenoten hebben moeite met de anti-revolutionaire en reactionaire principes die hij zo luid verkondigt.

Een kwart eeuw later spreekt Da Costa zich opnieuw uit over de tijd waarin hij leeft, ditmaal in poëzie. Op 13 december 1847 draagt hij in de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen een 'lied des tijds' voor: Wachter! wat is er van den nacht?. In de 'Voorafspraak bij de voorlezing van het lied' wijst Da Costa zijn gehoor op de bijzondere meerwaarde van poëzie: van oudsher is poëzie hét voertuig voor profetisch en gezaghebbend spreken.

Moses gaf aan Israël de Wet, hy was in Israël Richter en Overheid; en wie was immer Dichter meer dan Moses? Ook David! zijne Staatsconstitutie (den honderd eersten Psalm) geeft hy in poëzy van den meest praktischen aart. Ja tot in de taal, die de eenige en eeuwige Wetgever in zijne Bergrede bezigde, is in onze dagen de toon en gang eener Oostersch dichterlijke taal erkend en aangewezen geworden. (...)
Zaagt gy wel eens, mijne Hoorders! hoe in het Boek der boeken de grond verdeeld is tusschen prosa en poëzy? Voor het verhaal van gebeurde zaken en gewisselde redenen, voor de wet, voor de spreuk, voor het praktische leven, voor het dogme, - prosa: het prosa van Moses, van Salomo, van Lucas, van Paulus! Voor den lof van God, voor de uitboezeming des harten, voor den blik in de toekomst, voor het vergezicht der eeuwen, - de taal en vorm der poëzy, de taal van David, van Jesaïa, en wederom van Moses (den Propheet zoo wel als Historieschrijver en Wetgever!). Wie zal zeggen dat hier tegenstelling is, als van waarheid en dichting?

Voor Wachter! wat is er van den nacht? heeft Da Costa een tekst uit Jesaja (21:11-12) gekozen als motto, titel en refrein. De dichter tracht de balans op te maken: hoe is de toestand van de wereld op de drempel van het historische jaar 1848, welke kant gaat het op? Hoe is het, om te beginnen, nu met Nederland gesteld?

o Volk, in vroeger eeuw Hervormings Eerstgeboren!
Wat werdt, wat zult gy thands? Wien wilt gy toebehooren?
Den God des hemels en des Bijbels - of der Eeuw?
Van waar verwachten wy 't ontwaken van uw Leeuw?
Den geest dier Vaderen, betemmers van de baren,
En, met Oranje aan 't hoofd, van aartsgeweldenaren?
Van waar herleving? Ach! zal 't baten of de Wet,
Die Vorst en Volk verbindt, herzien wordt en verzet,
En Voortgang en Behoud hun eisch doen? zal het baten....
Zoo Voortgang en Behoud het eens zijn in 't verlaten
Van 't geen de rotsgrond was, waar Neêrlands Staat meê stond:
Het met der Heeren Heer betracht geloofsverbond?
Zal 't baten? zoo het volk (de kleinen met de grooten)
Der Vaadren erfenis laatdunkend blijft verstoten, -

In Duitsland is het niet veel beter: daar heerst de moderne Schriftkritiek. Van Frankrijk, bakermat van de Revolutie, valt ook weinig te verwachten. Engeland dan? Of wordt de Nieuwe Wereld (Amerika) het nieuwe 'beloofde land'? Het profetisch dichterschap ziet overal duisternis en chaos, al zijn er ook tekenen van een nieuwe dageraad: er zijn meer Joden die Jezus als Messias erkennen.

Reeds oopnen ooren zich en harten voor die stem,
En vallen schellen ook aan Israël van de oogen!
En voorts! daar is een strijd; een worstelen en pogen
Naar 't geen weêr de Eeuwgod toont van uitgelezen gunst
Aan Rijkdom en Vernuft, aan Wetenschap en Kunst!
Een worstling, om den berg van tweemaal duizend jaren
Zich af te schudden van den hals! Wat zal zy baren,
Die worstling? en ook hier: Wat is er van den nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

Na deze laatste herhaling van de oude vraag, haalt Da Costa voor een groot finaal antwoord profetenwoorden uit Jesaja 11 en Openbaring 21-22 aan. De nieuwe dag die hij ziet aanbreken, is die van Christus' heerschappij:

De Wachter antwoordt: Hoort het woord des Heeren Heeren!
De dag breekt aan, dat ziet! een Koning zal regeeren,
Een Rots, een Schuilplaats voor den hoogen waterstroom!
En Hy zal zijn een Scheute uit d' afgehouwen boom
Van Jesse, die den troon van David zal bekleeden
En richten Jacobs huis met heilgerechtigheden.
Hem staren als hun Hoop de verre Heidnen aan.
Met d' adem van zijn mond zal Hy de boosheid slaan,
Het jok verbrijzelen van 's werelds aartstirannen,
De Macht der duisternis in 't eeuwig duister bannen,
En vestigen op aard zijn eeuwig koninkrijk
Van Waarheid, Recht, en Rust. Daar zal geen ongelijk
Noch haat zijn. Ephraïm zal Juda niet benijden,
Geen volkren meer elkaêr, geen wolf het lam bestrijden.
Aan alle plaatsen zal Gods kennis zijn en vreê,
En overdekken de aarde als wateren der zee.
Een nieuw Jerusalem gaat van den Hemel dalen,
Van waar op al wat leeft de Heerlijkheid zal stralen;
Een meer-dan-Paradijs, van uit den Liefdestroom
Der hemelen gedrenkt, - met d' eeuwgen Levensboom,
Wiens blaadren voor altoos der volkren smart genezen!
God zelf zal daar het Licht, zal daar de Tempel wezen,
Daar zal geen vloek meer zijn, geen zonde meer, geen nacht.
De Morgenster gaat op! Hy, Wortel en Geslacht
Van David! - Vredevorst, naar wien Gods schepslen zuchten!
Hosanna! 't is Uw rijk! 't zijn van Uw bloed de vruchten; -
Van al wat de aarde leed sints de eerste zonde-ellend,
Van al wat de aard misdeed, de ontknooping en het end!

Bibliografische referenties

Isaäc da Costa, Wachter! wat is er van den nacht? Een Lied bij de uitgangen van 1847 (in: Kompleete dichtwerken 3), Haarlem: A.C. Kruseman, 1863. [De volledige tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Jesaja 21:11, Jesaja 11:1, Openbaring 21:2, Openbaring 22:5