Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

J.A. Deelder - Bijbelsch

'De Bijbel is een heel goed boek' - zo luidt de eerste regel van de dichtbundel Bijbelsch (1999) van Jules Deelder. Over hoe de Rotterdamse dichter dat bedoelt, laat hij geen misverstand bestaan. Het vervolg is een soort pastiche op de bijbel waarin het goddelijke telkens botst met het aardse. Dat is al te zien aan de manier waarop nogal wat gedichten beginnen:

Komt Jezus onverwachts de tempel binnen
om fijn een potje te gaan bidden
staat die hele tempel vol met wisselaars
en laaienlichters die mekaar en Jan
Publiek in alle talen van de wereld pro-
beren een tweedehands auto aan te smeren
(...) [vgl. Joh. 2]

Staat ik hiero op het hoekie
te driebanden met de Heer
komt Satan vragen oftie mee
mag doen? Helemaal niet
zegt de Heer (...)

Geef ik met Jezus een feessie
komen er veel meer mensen
dan waarop we hebben gerekend
en zeker de helft heeft niks
meer te drinken of te eten
Ik naar Jezus om te vragen
of er niet wat kan geregeld?
(...)
['De wonderbare catering' - vgl. Joh. 6]

In Bijbelsch staat veel ongein, het gebruikelijke Deelder-recept van grappen die berusten op de confrontatie van banaal en verheven, een voortdurende afwisseling van plat Rotterdams en bijbels-plechtig taalgebruik. In verschillende recensies valt het woord puberaal: 'Zijn deze gedichten nu een puberale vorm van godslastering, geschreven voor een cabaretpubliek dat stoned is en Youp van 't Hek te moeilijk vindt; een soort Brusselmanse provocatiezucht, opgesmukt met wat geposeerde wanhoop?' (Maarten Doorman in NRC Handelsblad).

In 'De hardnekkige Samaritaan' (p. 17-19) draait Deelder het bijbelverhaal (Luc. 10) om: die ellendige Samaritaan wil maar niet begrijpen dat de man langs de weg helemaal niet van zijn barmhartigheid gediend is! Hij krijgt een ongehoorde lading scheldwoorden over zich heen, die we hier maar niet allemaal zullen herhalen.

Wat mijn laats gebeur...
Leggik erges langs de weg
erges me roes uit te slape
worrik wakker gemaak door
'n halleve zool op een paard
die vraag ovvikket koud hep?
Ik zeg: vent krijg de dood-
straf met je koud mafkees
rot naar je familiegraf
doet mijn een lol maar die
gozer verstame verkeerd
want die scheur in ene ze
jas doormidde en wil de
helleft an míjn geve...!
Ik zeg: vent val dood met
je halleve jas wouzekous
la mijn lekker met rust
maar die vrijer hep ècht
een bord voor ze kop want
in plaas van af te taaie
gaatie met een fles jajem
zitte zwaaie... teminste
daddachik want ik neemp
een slok... izzet godver-
domme wáter zonder dolle!
Ik zeg: vent tieftstraalt
de tempel uit met je water
wezeloos neemp je ouwe rot-
moer in de maling metter
lubberkut maar die galbak
doe net of ze neus bloei
en haal een stokbrood te-
voorschijn plus een haring!
Ik zeg: vent krijg een vet
hart met je haring mooie
dooie zak in de stront en
ik gáát een partij over
me nek... niet te gelóóve!
Ik kotsem helemaal onder!
Waddenkie? Gaatie pleite?
Mot je net gelove! (...)

Bibliografische referenties

J.A. Deelder, Bijbelsch: gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij, 1999.

Heeft betrekking op:

Lucas 10:33, Johannes 2:13-16, Johannes 6:5-13