Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

J. Bernlef - Huisgod

De schrijver Bernlef stelt in onderstaand gedicht de menselijke behoefte aan een tastbare God aan de orde. De achtergrond van het beeldverbod in het Oude Testament is nu juist, dat de God van Israël zich - anders dan de goden van andere volken - niet wil laten vangen in een beeld. Die andere goden zijn door hun concretisering niet alleen benaderbaar, maar vooral ook hanteerbaar geworden. De God van Israël verbiedt zijn volk alle beeldendienst; de waarschuwingen tegen overtreding van dit gebod zijn niet van de lucht. In het Oude Testament blijkt echter al dat de mensen het heel moeilijk vinden om een 'abstracte' God te vereren, dat ze jaloers zijn op de volken die wél godenbeelden hebben en dat ze van tijd tot tijd toch beelden maken.

In Bernlefs gedicht wordt de 'kale' protestantse traditie gezet tegenover de rooms-katholieke. Het protestantse jongetje is jaloers op de beeldcultuur bij de katholieke buren. Ook hij wil 'voor God een huis, een lichaam, een gezicht'.

Huisgod

De God van vader en van moeder
had geen huis, zoals bij onze bovenburen
waar hij open en bloot
boven het dressoir hing dood te gaan

Zo'n kruis heet crucifix, zei vader en was
uitsluitend katholiek. Niet voor de onzen.
Maar hoe ziet onze God eruit? Dat weet ik niet
antwoordde mijn vader naar eer en geweten.

'k Werd zwaar ziek en buurvrouw bad voor mij
zij bracht mij schoolboekjes uit haar jeugd -
voor het eerst zag ik de hemel: zuurstokroze
mijn besluit stond vast: ik wilde katholiek bekeerd

Mijn vader reageerde gechoqueerd: wat of ik dacht?
Ik wilde voor God een huis, een lichaam, een gezicht.
Maar God, volgens mijn vader, hoefde niet ingericht
hij woonde in ieder van ons, moederziel en heel alleen.

Bibliografische referenties

J. Bernlef, 'Huisgod' in: Vreemde wil. Amsterdam: Querido, 1994.

Heeft betrekking op:

Exodus 20:4-6, Deuteronomium 5:8-10