Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

J. J. Voskuil - Het Bureau

Is er in de Nederlandse literatuur een beter voorbeeld van de ijdelheid, de leegte van het bestaan waarover de Prediker schrijft, dan de zevendelige romancyclus Het Bureau van J. J. Voskuil? Maarten Koning is hoofd van de afdeling Volkskunde van het Wetenschappelijk Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, maar hij vindt zijn werk absurd, de wetenschap zinloos, de meeste van zijn medewerkers ergerniswekkend.

In onderstaand fragment uit het vierde deel treft hij in Prediker de bevestiging aan van wat hij zelf ook voelt. Geen wonder dat hij het leest "met een gevoel van tevredenheid".

Na het eten bladerde hij op de divan de krant door. Niets interesseerde hem. Nicolien kwam met de koffie. Hij viel tegen de kussens in slaap en werd weer wakker. Hij deed de radio aan om naar Toppers van toen te luisteren, maar er was geen enkele topper bij die hem enige vreugde bracht. Wat dan? Hij dacht daar een poos over na zonder een duidelijk antwoord te krijgen. Tenslotte pakte hij de Landbouwenquête van 1889, deel 1. Het zat stampvol papiertjes. Hij liep ze langs met de bedoeling om uit de aangegeven passages een keuze te maken voor zijn onderzoek, maar alle passages leken hetzelfde. Hij zette het boek terug en haalde met tegenzin de twee delen Schetsen uit de Middeleeuwen van Muller uit zijn tas, die hij van het Bureau had meegenomen om thuis door te werken. Het eerste deel had hij in tien minuten uit. Er stond niets in wat voor hem van belang was. Toen hij aan het tweede deel begonnen was, ontdekte hij potloodpuntjes in de marge. Die moesten van hemzelf zijn, want hij was de enige op het Bureau die dat deed. Hij bladerde verder. Overal potloodpuntjes. Hij herkende de stukken niet, maar herinnerde zich nu dat hij het boek nog niet zo lang geleden aandachtig gelezen had en het zelfs aardig had gevonden. Zo bleef je wel aan de gang. Hij stopte ze weer in zijn tas en nam een boek over de geschiedenis van de steendruk, dat hij moest bespreken, mee terug naar de divan. Ook puntjes. Blijkbaar had hij het al voor driekwart gelezen, maar God mocht weten wat erin stond. Hij probeerde er wat in te lezen maar kon geen enkele belangstelling opbrengen. In dit geval had het ook geen zin belangstelling te veinzen. Hij was thuis, met Nicolien en Nicolien had daar begrip voor. Hij legde het boek weer weg en verveelde zich grenzeloos. Zo ver hij van zijn bescheiden plaats de cultuur kon overzien, boezemde alles hem weerzin in: lezen, luisteren, denken, schrijven, het een leek nog uitzichtlozcr dan het andere. Misschien moest hij iets met zijn handen doen. Maar wat? Van de nieuwe deur in de gang moest een stukje worden afgezaagd, zodat hij niet meer over de mat schuurde. Hij zag daartegenop. En aan het verwijderen van het keukenraam ten behoeve van een ventilator hoefde hij zo laat op de avond helemaal niet te denken. De scheur in zijn broek naaien? Hij aarzelde, maar verwierp het weer, met een gevoel van weerzin. Hij wilde niets niemendal. Hij was alles goed zat. En waarom? Hij keek van waar hij zat naar de boeken in zijn boekenkast en herinnerde zich de woorden van de Prediker. Zijn ogen bleven rusten op de Bijbel van zijn grootvader. Hij overwoog om op te staan, zag daar weer vanaf, maar stond toen toch op en haalde de Bijbel uit de kast. Prediker. Hij bladerde heen en weer tot hij de passage gevonden had. Prediker 12, vs 12: En wat boven dezelve is, mijn zoon! wees gewaarschuwd!: van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezen is vermoeijing des vleesches. Hij herlas de zin en las hem nog eens, met een gevoel van tevredenheid. Hier was iemand aan het woord die er wat van begrepen had, al bleef het een raadsel dat dat in die tijd al een probleem was geweest. Hij bladerde terug naar het begin van het boek en las de eerste verzen: Wat voordeel heeft de mensch van al zijnen arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? Hij keek op. Nicolien zat te lezen. 'Luister!' zei hij. 'De Bijbel!'

Bibliografische referenties

J. J. Voskuil, Het Bureau deel IV: Het A. P. Beerta-instituut. Amsterdam: G. A. van Oorschot, 1998, p. 378-379.

Heeft betrekking op:

Prediker 1:3, Prediker 12:12