Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

J.M.A. Biesheuvel - Een Job van onze tijd

De naam van Maarten Biesheuvel wordt vaak in één adem genoemd met die van Jan Wolkers en Maarten 't Hart: in de verhalen van alledrie ex-gereformeerde schrijvers speelt de bijbel een grote rol. Biesheuvel, die wel is getypeerd als ongeremd verteller en romantisch absurdist, grossiert in zijn bonte, surrealistische verhalen met hun vele zijsporen in bijbelcitaten en -verwijzingen.

Het boekenweekgeschenk van 1988, Een overtollig mens, werd door Biesheuvel geschreven. Na het lange titelverhaal volgen vier kortere verhalen, waarvan 'Een Job van onze tijd' het eerste is. Het is een typisch Biesheuvel-verhaal, met sprookjesachtige elementen; hier gaat het om een zoektocht naar de ware liefde.

Hans Feinstich, student filosofie in Marburg, besluit op een goede dag zijn studeerkamer te verlaten en in de wijde wereld te gaan zoeken naar het meisje van zijn leven, Hilde.

'Wie is die Hilde eigenlijk?' 'Dat weet ik nog niet,' zei Hans, 'maar zij moet nu eenmaal mijn vrouw worden en ik heb zo'n voorgevoel dat ik haar gauw zal vinden.' Die nacht beklom hij een heel hoge top. Hij was op de hoogste berg van de Harz, de Brockenberg. De maan scheen zo helder en de lucht was zo fris. Je zag wel een miljoen sterren. Een grote vogel kwam krijsend over en Hans zag zijn zwarte silhouet tegen de lichtende maan. Het was een huiveringwekkend gezicht. Hij ging op de grond liggen en keek naar de sterren. Wie zou al die zonnen en manen en planeten en sterren toch gemaakt hebben, vroeg hij zich af. Een uur lang lag hij te kijken en toen werd hij bang. Hij begon te bidden. 'God, grote Heer in de hemel, gloria in excelsis Deo,' zei hij zacht, 'ik heb nooit geloofd dat U zou bestaan, maar nu weet ik het zeker. Als U maar even Uw genade van de aarde af zou nemen zou ze uit elkaar spatten als een zeepbel. Lieve God, ik houd van U, Gij die tor en beer, mens en boom, berg en vis, water en edelsteen hebt gemaakt, Gij die het hele heelal houdt in het holle van Uw hand, strek Uw zegen over mij uit en geef dat ik Hilde vind. Ik weet dat de Heiland ook voor mij gestorven is. Laat mij dan een gelukkig leven leiden met Hilde als mijn vrouw. Hier op aarde zal ik gelukkig met haar zijn en in de hemel zullen wij U eeuwig loven, Amen.'

Op een dag stuit hij in een sprookjeslandschap op een heksenhuisje. De dochter van de heks is de mooie ganzenhoedster Hilde, aan wie Hans zijn liefde verklaart.

Hilde bloosde. 'Geloof je in God?' vroeg het meisje. 'Jazeker,' zei Hans, 'natuurlijk, als je zo de wereld beschouwt kun je toch niet anders. Waar je oog ook gaat, overal is het zegen en regen van God. Over alles ligt Zijn goedheid. De bomen en de raven, de mensen en de beken leven door de kracht van God. Alles op de wereld zingt Zijn lof.' 'Dat geloof ik ook,' zei Hilde, ' en je bent een mooie jongen die me wel bevalt, je doet alles zo sierlijk en handig, misschien moeten wij maar trouwen.' 'Natuurlijk trouwen wij,' lachte Hans, maar toen kwam de heks tussenbeide.

Zij geeft Hans een onmogelijke taak te verrichten voordat hij haar dochter zal krijgen; bovendien mag hij met geen mens praten. In de tussentijd vertrekt zij met Hilde. Al met al kost het Hans zeven jaar om de opdracht naar behoren uit te voeren. In die tijd komt er een paar keer een jongetje bij hem langs, dat de volgende woorden tegen hem zegt: 'De verschrikking, de verschrikking.' 'Zeshonderd zesenzestig.' en 'Een klomp met modder.' Hans vermoedt dat dit de antwoorden zijn op raadsels die hij nog zal moeten oplossen. Als hij na zeven jaar naar het paleis in de stad gaat om daar zijn Hilde op te halen, weet niemand waar hij het over heeft. De woorden van het jongetje maken het er niet beter op. Hans wordt voor gek versleten en het paleis uitgejaagd. Dan eindigt het verhaal in de tegenwoordige tijd:

Hij is nu al ver over de veertig en zoekt nog steeds zijn Hilde die hij toch in ieder geval ooit écht gezien en geroken en gehoord heeft. Heremijntijd, wat is Hans verliefd op zijn Hilde. Hij zoekt haar overal maar kan haar niet vinden. Hij is een dolende ridder geworden en u weet dat hij veel geduld heeft. Misschien zal hij zoeken tot het eind van zijn leven... Komt die Hans ooit bij u door de straat of op het erf van uw boerderij, neem hem dan voor een dag of wat in huis, geef hem goed te eten en te drinken en schenk hem schone, goedpassende kleren. Hij is een Job van onze tijd die Hans, want ja! God heeft hem zwaar te grazen genomen!

Bibliografische referenties

J.M.A. Biesheuvel, 'Een Job van onze tijd' in: Een overtollig mens en andere verhalen. Amsterdam: Meulenhoff/CPNB, 1988 (Boekenweekgeschenk).

Heeft betrekking op:

Job 2:13, Jesaja 40:12, Openbaring 13:18