Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Jacob Israël de Haan – Palestina

In 1924 sterft Jacob Israël de Haan een voortijdige dood, in Jeruzalem. Zijn zus Carry van Bruggen zorgt ervoor dat zijn brieven gebundeld worden uitgegeven. Palestina (1925) is het verslag van een veertiendaagse reis vanuit Jeruzalem via Hebron, Berseba, Gaza, Askalon en Ashdod naar Jaffa, en weer terug naar Jeruzalem. De Haan maakt die reis in 1921; Palestina is dan in Britse handen. Ofschoon de brieven uit die tijd stammen, doen ze hier en daar opvallend actueel aan. De Haan reist met paard en wagen, in gezelschap van zijn Arabische vriend Abdoel Salaäm. Bij nadering van Hebron, de stad waar Abraham begraven ligt, noteert hij:

Het is al mooi in den middag geworden. Wij zijn nu ook wel moede van de bergen en de dalen, de zon en den wind. Maar nu zijn we ook dicht bij El-Khalil ... Wij zeggen 'Hebron', dat misschien 'Verbond' beteekent. Abdoel Salaäm zegt El-Khalil, de Vriend. Dat is Abraham, de Vriend van Allah.

Voortdurend inspireren de huidige plaatsen die hij aandoet De Haan tot overdenkingen over de Oud-Testamentische geschiedenis:

Men zegt dat de Philistijnen evenals de Joden uit Egypte zijn gekomen. Maar wij woonden veel gevaarlijker aan den grooten oorlogsweg tusschen Egypte en Assyrië. Wij woonden in de heuvelen van Juda. Over en weer hebben wij met elkander gevochten: Simson, Saul, David. Soms lagen wij onder. En legerden de Philistijnen bij Michmasch. En bij Jizreël. Zij kwamen soms tot bij Jeruzalem. Daarentegen versloeg koning Hizkia de Philistijnen tot bij Gaza.

Hoewel De Haan nooit echt politieke uitspraken doet, en een vreedzaam samenleven van alle verschillende bevolkingsgroepen in Palestina lijkt voor te staan, scheert hij er af en toe wel rakelings langs. Over Gaza zegt hij:

De stad heeft misschien nooit tot Israël gehoord. En in zooverre is de tegenwoordige grens voor ons niet slechter dan de historische. Het geografische hoofdstuk Josua XV:17 deelt Gaza toe aan den stam van Juda. Maar dat bewijst nog geen werkelijk bezit.

De wegen zijn in die tijd niet erg goed. In de regentijd spoelen ze regelmatig weg. Op een gegeven moment komt de wagen in de modder vast te zitten. Het reisgezelschap vraagt hulp aan een groepje communistische landarbeiders. Met humor, maar ook met een onmiskenbaar cynische ondertoon meldt De Haan:

Bij den spoorlijn loopen wij weder onherroepelijk in de modderbelt vast. Gelukkig werken er sterke Joodsche jongens in de nabijheid. Willen zij ons misschien even op gang helpen. Deze jongens blijken vrienden van de derde Internationale te zijn. Mopsen, zooals zij heeten naar hunne organisatie M.P.S. Zij willen geen Hebreeuwsch spreken. Goed. Jiddisch. Op ons verzoek om hulp, kunnen zij maar niet zoo dadelijk antwoorden. Zij moeten daarover beraadslagen. Deze kewoetsah houdt dus eene openluchtbijenkomst. Het duurt héél lang voor de leider ons mededeelt, dat zij niet bereid zijn ons te helpen. En dat op de navolgende gronden. Hun tijd is heilige tijd, die alleen en uitsluitend bestemd mag worden voor den opbouw des lands. Bovendien is de eigenaar van den wagen een Arabier. En ten derde ben ik, de reiziger, een bourgeois, die voor zijn genoegen reist.

Maar het komt goed:

Gelukkig is er onder deze verschillende Mopsen eene minderheid, die zich niet aan het besluit van de meerderheid onderwerpen wil. Het is niet organisatorisch zooiets zonder congresbesluit te doen. Maar het gebeurt. De minderheid helpt onzen wagen er uit. En de opbouw des lands wordt voortgezet.

... en het gezelschap bereikt veilig en ongedeerd Jeruzalem:

Het is alles voorbij. Er is weder de politiek. Er zijn weder de zorgen. Het regent en het is weer héél, héél koud.

Bibliografische referenties

Jacob Israël de Haan, Palestina. Met een portret van den schrijver en een inleiding van Carry van Bruggen. Kampen: Kok / Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland, 2000. [De volledige tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

2 Samuël 2:1