Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jacob Revius – Het Hoghe Liedt Salomons

Het Hooglied is in de zeventiende eeuw meerdere malen berijmd. Een van de meest bekende berijmingen is geschreven door de dichter-predikant Jacob Revius (1586-1658). Het boekje verscheen in het jaar 1621 onder de titel Het Hoghe Liedt Salomons. In Nederduytsche Gesangen ghebracht, door Iacobum Revium. Dit boekje is tegenwoordig uiterst zeldzaam, er is voor zover bekend maar één exemplaar van overgebleven. Dat unicum bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. De Hooglied-berijming is ook opgenomen in de Over-Ysselsche Sangen en Dichten (1630).

Een belangrijk kenmerk van Revius’ dichtwerk is de ‘christelijke imitatio’. Dat wil zeggen dat Revius zich liet inspireren door wereldlijke poëzie die hij een christelijke invulling gaf. Naast profane poëzie, maakte Revius ook gebruik van het werk van bijvoorbeeld collega’s. Dat is ook het geval bij zijn bewerking van het Hooglied. Revius heeft bij het maken van zijn berijming gebruik gemaakt van een verklaring van het Hooglied van de hand van de Zierikzeese predikant Godefridus Udemans, uitgekomen in 1616.

Revius toont zijn dichterlijke vakmanschap door exegese en tekstberijming in een poëtische bewerking van hoge kwaliteit te integreren. Gezien het aantal genres dat in de Over-Ysselsche Sangen en Dichten vertegenwoordigd is, blijkt dat Revius een grote belezenheid van zijn lezerspubliek heeft verwacht. De bundel bevat sonnetten, liederen, epigrammen, gelegenheidsdichten en zelfs een toneelstuk.

Diversiteit is ook een kenmerk van de berijming van het Hooglied. Elk van de acht zangen heeft namelijk een eigen strofevorm. Bij elke zang wordt een wijsaanduiding gegeven (een psalm of een ander geestelijk lied). De regellengte wisselt. Het rijm is wisselend gepaard, gekruist of omarmend.

Hieronder volgen enkele strofes uit het eerste gezang. Aan de eigenlijke berijming gaat een gedicht vooraf dat Ghebet heet. Het is een sonnet waarin de dichter God smeekt hem iets te geven van de inspiratie van Salomo, de dichter van het Hooglied.

Het Hoge Liet Salomons.
Ghebet
 
Ghy die hebt uwe Bruyt in liefd’en trouwe waerheyt
Vercoren eerse was, geroepen does vloot,
Gewasschen met u bloet, ghenesen door u doot,
Begiftet met u Geest, ghesmucket met u claerheyt:
 
Ghy die noch uwe Bruyt verlost wt alle swaerheyt,
Voortredet in ghevaer, beschuttet inder noot,
Versadicht in gebreck met t’levend’Hemelsch broot,
Behoedet voor den val en droeve wanckelbaerheyt:
 
Ah! Schenckt mijn dorre siel een dropken vande bron
Die vloeyde wt de borst ws Herders Salomon:
Laet clincken in mijn dicht het snerren sijner snaren:
Terwijl ghy door de hant van Maurits uwen helt
Doet bulderen de Zee en daveren het velt
Om t’huys van uwe Bruyt voor inval te bewaren.

 

Eerste ghesanck.
Op de wijse: Hoe schoon lichtet de morghenstern.
 
Inhout.
In dit Hoge liet spreken te samen, de Bruydegom dat is Christus: de Bruyt dat is de Gemeente. De Maechden dat sijn de Gelovighe. Het eerste gesanck vertoont 'tverlangen der gemeente na Christi genade, crachtige roepinge, salicheyt, haer wtwendighe verachte ghestalte, maer inwendighe schoonheyt. Perijckel onder valsche Broeders. Daer op volgen vriendelicke ende troostelijcke onderhandelingen, gebeden ende beloften.
 
Bruyt.
 
1.
Hy cusse my wt s'herten gront
Met sijnen vriendelijcken mont
Mijn Bruygom en mijn Heere.
Want heylsaem is de liefde sijn,
Veel beter dan den besten wijn.
Sijn balsem riecktmen veere.
Wiens locht
En vocht
Op sijn schedel
Schoon en edel
Wtgegoten
Is op al zijn lee'n ghevloten.
 
2.
Hoe liefelijck is uwen naem!
Gelijck den douw seer aengenaem
Der wtgestorter salven.
De Maegden van het gantsche lant
Met eenen cuyschen liefden brant
Beminnen u der halven.
Treckt my
Na dy
Dat wy lopen
T'saem met hopen
Voort getogen.
Sonder u wy niet vermogen.
 
4.
Van buyten ben ick soor en swart,
Maer vol van schoonheyt is mijn hart
O Dochters deser woning.
Wtwendich als een hutgen cleyn
Maer binnen als tapyten reyn
Van Salomon den Coning.
Aensiet
My niet
Dat ick derve
Schone verve,
Want de stralen
Van de Son steets op my dalen.

Revius geeft in zijn berijming geen letterlijke vertaling van de bijbeltekst, maar een interpreterende weergave. Uit de beschrijving van de inhoud van het eerste vers blijkt dat Revius de traditionele Hooglied-interpretatie aanhoudt, namelijk dat de bruidegom Christus is en de bruid de gemeente van gelovigen.

Bibliografische referenties

J. Revius, Over-Ysselsche Sangen en Dichten, editie W.A.P. Smit, 2002 dbnl.

L. Strengholt, Bloemen in Gethsemane; verzamelde studies over de dichter Revius, Amsterdam, 1976.

J. Revius, Het Hoghe liedt Salomons, ed. L. Strengholt, Houten, 1986.

Heeft betrekking op:

Hooglied 1:1-4, Hooglied 1:6