Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Jacobus Koelman - De Vruchteloose Bid-dagen van Nederlandt

De predikant Jacobus Koelman, ook wel Jacobus Chliarander of Jakob Carelsonius, is auteur en uitgever van dit pamflet uit 1682. Als 17e-eeuwse profeet verheft hij zijn stem en velt in zijn heilige toorn een glashard oordeel over zijn goddeloze vaderland. Hoewel, heilig - er zit ook enige persoonlijke rancune achter: in 1674 is hij door de Staten-Generaal uit zijn ambt gezet, en de Staten van Zeeland hebben hem tot persona non grata verklaard, omdat hij zich niet wilde onderwerpen aan de overheid en de kerkordening, o.a. op het punt van de feestdagen. Sindsdien moet hij als rondzwervend prediker leven.

Koelman zet direct de toon met een aantal goed-gekozen bijbelteksten, waaronder één uit Sefanja:

Wee de ijsselijke en bevlekte, zy en hoordt na de stemme niet; zy en neemt de Tucht niet aen; haer Vorsten zijn brullende Leeuwen in 't midden van haer; haer Richters zijn Avondtwolven, haer Propheten zijn lichtvaerdigh, gantsch trouwloose Mannen; haer Priesters verontreynigen het Heylige; sy doen de Wet geweldt aen; de rechtvaerdige Heere is in het midden van haer, doch de Verkeerde weet van geen schaemte.

Koelman hekelt om te beginnen de houding van overheid en burgers, die zich niet werkelijk bekeren van hun zonden, en slechts voor de vorm boete- en biddagen uitschrijven. Onder verwijzing naar de oudtestamentische profeten verkondigt Koelman dat bidden en vasten geen enkele zin hebben als er daarbij geen sprake is van echt berouw. Op die manier zijn bid-dagen niet slechts 'vruchteloos', ze dienen alleen maar 'tot tergingh van den Godt van den Hemel, en verhaestingh der verwoestende Oordeelen en Plagen'. De stormvloed van 26 januari 1682, door God gezonden om Nederland tot inkeer te brengen, zal ongetwijfeld een gruwelijk vervolg krijgen nu de noodzakelijke inkeer uitblijft.

Dies moet ik publijkelijk, soo als ik kan, tot waerschouwingh uytroepen; Dese Vast- en Biddagh is, gelijk de andere, een Terghdagh, een vruchteloose Biddagh, een Dagh ter smadelijke bespottinghe van den Heere; Doch Hy en laet Sich niet alle tijdt bespotten, maer sal met dit Volk twisten, en seggen, Soude het sulk een Vasten zijn dat Ik verkiesen soude, dat de Mensche sijn Ziele eenen dagh quelle? Soudt gy dat een Vasten hieten, ende eenen Dagh den Heere aengenaem? Is niet dit het Vasten dat Ik verkiese, dat ghy los maekt de knoopen der godtloosheyt? O Landt, Landt, Landt! Hoort des Heeren Woordt; Doet de tergende Grouwelen uyt het midden van u; laet u tuchtigen, O Nederlandt! op dat Mijn Ziele van u niet afghetrokken worde, op dat Ik u niet en stelle tot een woestheydt, tot een onbewoondt Landt: Wasschet u, reyniget u; doet de boosheden uwer handelingen van voor Mijn Oogen wech; laet af van quaedt, leeret goedt doen, soekt het recht, helpt den Verdrukten; komt dan, en laet ons t'samen richten. Wee u, O Nederlandt! en sult ghy niet reyn worden! hoe lange noch na desen!

Wat is er dan allemaal mis in Nederland aan het eind van de 17e eeuw? Een greep uit de schets die Koelman van het Nederlandse Sodom en Gomorra geeft.
Daar is het kwaad van de vrijheid van godsdienst: onze overheden 'verdragen en geven veel vrijheydt aan't plegen van de Paepsche Afgoderije, aen 't inkomen en inwonen van Papen, Iesuijten, en andere, aen de publijke Samenkomsten van Socinianen, Quakers, en Ioden, en aen 't publijk belijden van hare godts-lasterlijke dwalingen'. Door al die ketterijen te gedogen laat de overheid het kwaad gewoon voortwoekeren. Een volgend punt: 'Niemant onder de Gereformeerde kan twijffelen, of niet de Vasten-avonden, Drie-Koningen-avonden, en St Niclaas-avonden te onderhouden is groote Sonde, en een boose Navolging van het vleeschelijke en superstitieuse Pausdom, maer ook bijsonder het houden van de Kermissen; want sij zijn niet alleen een directe en interpretative Afgodery en Superstitie, maer ook een vruchtbare gelegentheydt van veel ongebondenheydt, wulpsheydt en ergernis.' En denk ook eens aan het zedenbederf dat door de schouwburg wordt veroorzaakt. Er wordt in Nederland gedobbeld en gekaart. Er wordt gevloekt en meineed gepleegd. Er is sprake van hoererij; de recente 'Haegsche Moort', d.i. de moord op de gebroeders De Witt in 1672, is te beschouwen als een direct gevolg daarvan. De sabbat wordt geschonden. De opdracht tot bekering van ongelovigen wordt veronachtzaamd. In de kerk worden de ambten vervuld door onbevoegde en onbekwame lieden, ja zelfs door notoire zondaars. Het kerklidmaatschap wordt verkwanseld, de sacramenten onteerd; van tucht is geen sprake meer. 'De Stadt Godts Bethel is gheworden een Beth-aven, een Huys der ijdelheydt: Godts Kerk was eertijdts in de Wereldt, maer nu is de Wereldt gekomen in de Kerk; onder Christi Volk worden nu gevonden Meyneedige, Verachters, Gods Lasteraers, Hoereerders, Leugenaars, ja wat al niet? Nu is het soo verre gekomen dat den Sathan in den Tempel Godts getreden is, en daer ook ontfangen wordt.'

Nu de zaken er zo voorstaan, schieten de uitgeschreven bid-dagen in de ogen van profeet Koelman volstrekt tekort. Hij herhaalt zijn boodschap een en andermaal:

Wat sal nu ons Vasten en Bidden helpen, als sulke Grouwelen, die men op de Vasten-dagen beklagen moet, niet geweerdt worden? Is dit niet spotten met den Heere? Seght niet de Heere tegens elk ernstigh Leeraer, Menschen Kindt, dese Mannen hebben haar DrekgodenDrekgoden in haar herte opgheset, ende hebben den aenstoot hunner ongherechtigheydt recht voor haar aangesichte gesteldt, worde Ik dan ernstelijk van haar ghevraaght? soude Ik over die dingen geen besoekinge doen? of soude Mijn Ziele haer niet wreken over sulk een origineel Volk als dit is? Ik sal Mijn Aengesichte tegen haer setten, ende salse stellen tot teekenen ende tot spreekwoordenTot een spreekwoord worden, ende ghy sult weten dat Ik de Heere ben.

Bibliografische referenties

De Vruchteloose Bid-dagen van Nederlandt, gehouden tot tergingh van den Godt van den Hemel, en verhaestingh der verwoestende Oordeelen en Plagen. Kortelijk open-geleght, met Aenwijsingh van het eenige Remedie, door Jacobus Chliarander, Dienaer des H. Euangeliums. Amsterdam: Jakob Carelsonius, 1682. [De volledige diplomatische weergave van deze tekst van Jacobus Koelman, bezorgd door H.J. Postema en F.W. Huisman, en vervaardigd in samenwerking met Tekstarchief Gereformeerd Erfgoed van de Stichting Studie der Nadere Reformatie, is samen met een facsimile van het origineel te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Sefanja 3:1-5, Jeremia 5:9, Jeremia 6:8, Jesaja 1:16-18, Jesaja 58:5-6, Hosea 4:15, Ezechiël 14:3, Ezechiël 14:8