Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jacobus Revius - Roode See

Wie het gedicht ‘Roode See’ van Jacobus Revius (1586-1658) leest, krijgt het wonder van het wijkende water heel concreet voor ogen geschilderd: de Israëlieten die door de Rode Zee (in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven als Rietzee) trekken, geleid door de wolkkolom, terwijl achter hen de Egyptische paarden en ruiters verzwolgen worden. Het ene beeld na het andere roept de tekst op: de steenovens in Egypte, de slangenstaf van Mozes, de tienduizendmaal zestig weerbare mannen, de dubbele verschansing van golven, de wielen die vanonder de wagens wegspoelen. Maar de fraaiste omschrijving is wel die van de vuurkolom: ‘Wie was het die swaeyde ter halver nacht de fackel met haar gouwen haren?’

In zijn gedichten probeert Revius, gereformeerd predikant in Deventer én geleerd renaissancedichter, de orthodoxe geloofsleer te combineren met literaire vernuftigheden en muzikale zeggingskracht. ‘Roode see’ staat vol parallellismen en antithesen, Revius’ favoriete stijlfiguren. De tekst is geschreven op de melodie van het lied van Gerrit van Velzen, waarbij de strofevorm is gekopieerd uit een rei in Hoofts ‘Geraerdt van Velzen’. Uiterst schatplichtig aan de literaire traditie dus, dit gedicht, maar met een geheel eigen inhoud en strekking. Dat past bij Revius’ opvattingen: hij wil nadrukkelijk de literatuur beoefenen vanuit de gedachte van christelijke ‘imitatio’. Literaire vormen en beelden mogen aan klassieke of eigentijdse kunst ontleend worden, maar de inhoud moet dan wel gekerstend.

Dat laatste gebeurt hier door de keuze van de stof – een bijbelse geschiedenis – en de interpretatie daarvan. Als gereformeerd theoloog uit de zeventiende eeuw leest Revius het Oude Testament door de bril van het Nieuwe Testament: alle verhalen zijn uiteindelijk op Christus gericht. Ook de geschiedenis van de Rode Zee: ‘Het was Gods Soon, dien herder goet’, die het volk Israël door het water leidt en naar de overkant brengt. Maar de exegese gaat nog verder. Revius is dol op allegorische tekstuitleg, dus hij ziet onmiddellijk de overeenkomst tussen de redding van de Israëlieten en de redding van de zondige mens: zoals het volk door de Rode Zee geleid wordt, zo wil Christus zijn uitverkorenen reinigen door zijn bloed; zoals het volk uiteindelijk de overkant bereikt, zo zullen de gelovigen uiteindelijk de hemel bereiken. Het doet denken aan het gebed uit het klassiek-gereformeerde doopformulier, ongetwijfeld aan Revius bekend en wellicht ook door hem gebruikt: ‘Gij, die de verstokte Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, en uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de doop beduid werd (...)’.

Vanuit de dankbaarheid voor die verlossing en reiniging – niet alleen van het volk Israël, maar van alle gelovigen, inclusief Revius zelf – volgt dan de lofzang op God. Dat is het ultieme doel van Revius’ dichterschap: Gods grote daden verbreiden, ‘versekeret dat hy die eeuwichlijcken leeft mijn tong tot sijnen roem alleen geschapen heeft.’

Roode See
op de wijse: Van Gerrit van Velsen

1. Doe God sijn volck wou helpen uut,
O Memphis, u metalen oven,
De vloet ontvloot benoort, besuyt,
Den afgront is aen tween gecloven.

2. Nu radet, goet rader, waer is dat lant
Het welck den hemel eens bedoude
Twee uyrkens voor dage, en naderhant
Noch son noch mane weer aenschoude?

3. En was het niet den diepen pat
Dien Mosis slangen-staf ontdeckte,
Dien nimmer mensch noch dier betrat
Als doe sijn hant daer over streckte?

4. Tien duysentmael sestich geweerde mans
Met wijf en kint daer doore gingen,
Ter rechter en luchter een golven-schans
Dees stoute wandelaers omvingen.

5. Sy sagen vrolijck van gelaet
Den volck-verslinder inne-swelgen
De stromen vande rode straet,
Sijn wagens storten vande velgen.

6. Wie was het die swaeyde ter halver nacht
De fackel met haer gouwen haren?
Wie wast die opt hoochste des middachs bracht
Een schaduw’ voor des lochts beswaren?

7. Het was Gods Soon, dien herder goet
Die tonen wou voor lange tyen
Hoe hy zijn schaepkens door sijn bloet
Van duyvel, hel, en doot sou vryen.

8. Hij trackse doort water, die sijne schaer
Sou wasschen in des Geestes bronne,
Hy brachtse ten oever, die ons daer naer
Wou heffen hoger als de sonne.

9. Soo wie uut reyner liefden gloet
Dit wonder niet met ons verbredet,
Diens swarte siel en stalen moet
Is in een coude vlam gesmedet.

10. Wy willen hooch loven tot aller stont
Het heyl dat God ons heeft gegeven
Met bongen aen reyen, met hart en mont,
En met een recht gehoorsaem leven.

'Roode See' is niet het enige vers dat Revius schreef naar aanleiding van Exodus. In zijn Over-Ysselsche Sangen en Dichten staan ook gedichten over 'Brandende bos', 'Moses staf', 'Tabernakel', 'Coperen slange', 'Manna', 'Gouden calf' en 'Beloofde lant'.

Bibliografische referenties

J. Revius, Over-Ysselsche Sangen en Dichten , editie W.A.P. Smit, 2002.

L. P. Grijp, ‘Op zoek naar de reien van Geeraert van Velsen’, in: De zeventiende eeuw 3 (1987), p. 85-97.

Heeft betrekking op:

Exodus 4:2-4, Exodus 13:21-14:31